Dat iemand mij postuum de les spelt, dat zou ik fijn vinden

Runa De Moudt-Svetlikova (Antwerpen, 1982) intrigeert steeds meer mensen met haar poëzie. Meander sprak met de dichter die verantwoordelijk was voor een muisstil moment op BrulA’pen, een reis van Friesland naar Groningen en het uitzinnige razen van neurologische stofjes.

Hoe ziet jouw poëtisch zelfbeeld eruit?
Mijn poëtisch zelfbeeld is jong en in beweging! Het vormt en hervormt zich steeds weer. Dat is spannend, maar het betekent ook dat gedichten die ik een halfjaar geleden schreef, nu prematuur aanvoelen of dat eerder geschreven gedichten weinig onderlinge samenhang hebben. Pas sinds ik een cyclus schreef rond mijn vaders poëzie is dat veranderd: mijn huidige poëtische stem ontdekte ik door hem van repliek te dienen, en nieuwe gedichten komen niet meer solo, maar in redelijk stijlvaste clusters.
Ik ben niet van het zweverige type, met inspiratie en de muze. De fysiologische kant van taal boeit me meer. Hoe ziet poëzie eruit op een MRI? Ik wil graag een keer dichtend in een scanner kruipen of bedraad worden: zou een getalenteerde neuroloog kunnen zien of de vrije poëzie – met zijn ongrammaticale syntaxis en eindeloze associaties – raakvlakken heeft met het ‘mentalees’, de beeldtaal die we gebruiken bij het onbewuste, taalloze denken?

Hoe zou je je eigen werk op dit moment omschrijven?
Ik schrijf vrije poëzie die vanuit de taal vertrekt, maar vrijheid is relatief. Meestal giet een gedicht zichzelf toch in een vrij regelmatige vorm. Klank boeit me, de meerduidigheid die je met het enjambement kan bereiken, en het spanningsveld beeld/betekenis. Onverwachte associaties kunnen me ook blij maken.
Als ik net begin aan een gedicht zit mijn eerste tekst vaak bomvol beelden die allemaal hetzelfde idee uitdrukken. Dan is het schrappen tot het gedicht overblijft. Soms zoek ik een beeld bij een gevoel, en google ik begrippen. Zo bleek ‘magma’ niet alleen de vloeiende steen die een brok in je keel kan zijn, maar ook een wiskundige term die mijn gevoel bij het zien van mijn vaders as op het strooiveld perfect weergaf. Dat werd een gedicht.
Dat die werkwijze soms een hermetisch resultaat heeft, is iets wat ik achteraf van anderen hoor. Zelf vind ik mijn gedachtesprongen (natuurlijk) glashelder. Omdat ik het belangrijk vind dat mijn poëzie ook op het podium werkt, hoop ik dat bij de minder toegankelijke gedichten het rijm en de regelmatige opbouw de luisteraar helpen. Dat hij de kans heeft het gedicht binnen te wandelen op een klankpad, want een luisteraar heeft een belachelijk korte tijd om de kern van een gedicht te vatten.

Waarom schrijf je, en waarover het liefst?
Ik gebruik de poëzie als loep. Met een loep kun je dingen zo sterk uitvergroten, dat waar je naar kijkt onherkenbaar wordt, gewoon een gekaderde, esthetische compositie. Met een loep kun je zelfs brand stichten! Maar als je de loep omdraait, verklein je het object. Dan lijkt het verder weg te liggen, krijg je een overzicht dat klaarheid brengt. Misschien is poëzie voor mij dus wel een middel om controle uit te oefenen op wat oncontroleerbaar is, met als wapen een pen, als schild mijn loep.
Ik schrijf over alles: wat ik lees in magazines over psychologie of wetenschap, of iets dat ik zag, een man in pak met gele sneakers. Terugkerende patronen (spiraal als in sterrenstelsel, spiraal als in slakkenhuis) of de sneeuw zoals die vorige winter aanvroor in rare, pikzwarte uitstulpingen op de weg. Het kan ook iets zijn dat ik hoorde: het geluid van autobanden op het asfalt van een brug (een dof kedoeng kedoeng dat klinkt als slikken). Of rare vragen die plots bij me opkomen, zoals: wat hebben windturbines en Don Quichote nog met elkaar te maken?
Toch zijn het vooral mensen die me inspireren: zwakheden en neuroses, schoonheid in wat lelijk is: de dood van mijn vader, en het feit dat de vingernagels van mijn dochter dezelfde vorm hebben als die van hem.

We hebben je al kunnen horen op Dichters in de Prinsentuin en een kortverhaal van je kunnen lezen in Met Andere Zinnen. Wat is je mooiste publieke moment tot nu toe?
Mijn eerste podiummomenten deed ik op in een klein bruin café hier in Antwerpen. Niet zo heel veel later stond ik op het podium van FrappantTXT. Ik wist totaal niet wat ik deed, maar toch was het heerlijk! Een volle zaal, een professionele geluidsinstallatie – en een blackout na het tweede vers.
Maar eigenlijk was BrulA’pen, georganiseerd door Maarten Inghels, mijn leukste podiummoment. Een mooie houten tribune vol publiek. Daarachter kasten vol boeken, boeken en nog eens boeken. Alles in de open lucht. Ik bracht ‘De gebruiker van dit lichaam’, een cyclus rond mijn vader, en net toen ik de laatste zinnen – de zinnen van mijn vader – uitsprak

en wie / zal bij je zijn / als de zon in / ’t zenit / langzaam-zeker / duistert?

verdween de zon achter de bomen. Achteraf viel er een lange, lange stilte. Daarna kwam pas het applaus.
Dichters in de Prinsentuin was ook erg leuk. Het heeft een prachtige locatie en is heel goed georganiseerd, maar het publiek kwam en ging steeds weer, in kleine groepjes, dus je kon niet anders dan losse gedichten brengen. Daardoor was het steeds opnieuw beginnen. Er was niet zo’n flow als bij het brengen van een volledige cyclus. Toch is elk optreden een fantastische ervaring en een leermoment. Ik hoop er nog veel te mogen beleven.

Je gebruikt je prachtige website ook als werkplaats. Je geeft de bezoekers een inkijkje in je werkproces. Waarom doe je dat?
Ik doe het omdat ik het zelf ook leuk vind om te weten hoe anderen het doen. Onlangs kocht ik Stapvoets van Eva Gerlach. Op de rechterbladzijde heb je telkens het afgewerkte gedicht, aan de linkerkant een voorzet, met krassen, hele stukken die eruit zijn gegaan. Behalve in het laatste gedicht, daar gaat het om één komma. Eén komma aan het einde van de zin en welke impact die heeft. Ik ben dus niet de enige die daar drie weken over nadenkt. Wat een geruststelling.
Die inkijk in het dichtproces, daar leer je van. Dat zijn ijkpunten. Iemand anders vindt in mijn werk misschien wel wat ik zoek, of geeft een relevante opmerking waar ik mee verder kan. Ik krijg meer reacties op de website dan ik verwachtte. Met sommige mensen die er terechtkwamen, bouwde ik een correspondentie op. Een van die mensen kwam van Friesland naar Groningen om me aan het werk te zien op Dichters in de Prinsentuin.
Het geeft me ook de kans om beeldend bezig te zijn, gewoon een andere manier om expressief te zijn. Ik blijf er zeker aan werken, met als belangrijkste aanvulling in de toekomst de mogelijkheid om commentaar te geven op de inhoud van pagina’s, en – natuurlijk – een link naar dit interview!

Je website toont dat je, naast woordelijk, ook beeldend denkt en werkt. Beïnvloeden woord en beeld elkaar, of bestaan ze naast elkaar?
Ik studeerde publiciteit – grafiek en dat stuurt mijn werk wel, denk ik. Net zoals ik zoek naar visuele samenhang en contextuele verbanden om een huisstijl te ontwerpen, zoek ik naar samenhang in een gedicht en tussen gedichten onderling, om een mooie cyclus te maken.
Typografie krijgt best veel aandacht. Dat is beroepsmisvorming, punt uit. Het woordbeeld is ook belangrijk: over gedachtestreepjes zei een poëziedocent dat die ‘deuren openen’ in het gedicht – er kan dan allerlei inwaaien, stel ik me voor. Interpunctie als inhoudelijk en visueel accent is een recente ontdekking; in het begin had ik het het liefst ‘puur’.
Woord en beeld beïnvloeden elkaar maar staan ook los van elkaar. Erwin Mortier maakte een geslaagde bundel met foto’s van Lieve Blancquaert, Uit één vinger valt men niet. De foto’s en gedichten kun je samen bekijken, maar blijven afzonderlijke delen. Sterk werk waarbij woord en beeld evenwaardig zijn, zag ik zelden. Erover nadenken zet me wel aan om het, wie weet, eens uit te proberen, maar meestal leidt het een de aandacht te veel af van het ander. Dichten gaat om taal. En in de taal zit het beeld. Dat beeld heft mijn gevoel op, en legt het bij de lezer neer. Die mag ermee doen wat hij wil.

Wat blijft er overeind van deze woord/beeld-verhouding als je op het podium staat? Wat ervaar je als je op het podium staat?
Als ik op het podium sta, wordt klank de interpunctie. Dan moet het gedicht, puur taal als het goed is en vaak bedoeld om te lezen en te herlezen, vertaald worden naar het podium. Dat kan door de juiste intonatie en rustpunten te vinden. Het is mijn verantwoordelijkheid om mijn gedicht zo bij het publiek te brengen dat het hetzelfde gedicht blijft als ik bedoelde. Bovendien wens ik elke man en vrouw daar aanwezig aan te raken en als een ander mens naar huis te laten gaan.
Als dat lukt, is het pure – ja, exhilaration, hoe zeg je dat in het Nederlands… Het is uitzinnig, al die neurologische stofjes die door je lijf razen. Dat maakt het ongelooflijk lekker. Het is een beetje verslavend zelfs.

Tot slot, hoe stel je je de poëtische toekomst voor?
Ik hoop dat die zich nog lang na mij voortzet. Dat er iemand later de dialoog aangaat met mijn gedichten, mij postuum de maat neemt, zoals ik met mijn vader deed. Dat zou ik fijn vinden.

Geplaatst in Interviews en getagd met .