Poëzie als vangnet voor het vluchtige en vreemde leven

Yella Arnouts (Antwerpen, 1959) is een dichter die aanleiding tot schrijven vindt in het detail, in een flard uit het voorbije. Tijdens het schrijven neemt de taal het echter van haar over. Ook op de podia is ze geen onbekende. Meander sprak met haar.

Hoe ziet jouw schrijfpraktijk eruit?

Ik schrijf sinds vijf jaar dagelijks, nogal gedisciplineerd, en altijd aan mijn schrijftafel. Ik heb behoefte aan een taal die een zekere – liefst onverwachte – orde schept. In ieder geval moet ik weg van de chaos in mijn hoofd of daarbuiten om te kunnen schrijven. Ik ben obsessief beginnen te lezen rond mijn twaalfde. Rond die tijd moet ook het schrijven begonnen zijn. Op kinderniveau uiteraard.

Hoe begin je aan een gedicht?

Ik begin met een paar woorden, een beeld, een regel die ritmisch goed bekt, met wat een taalspel uitlokt. Ik kan me goed vinden in de volgende woorden van Paul Valéry: ‘De echte schrijver is iemand die niet uit zijn woorden komt. En ze dus zoekt. En al zoekend betere vindt.’

Yella ArnoutsOnlangs stonden er gedichten van je in Het Liegend Konijn. Wat voor invloed heeft zo’n publicatie op je schrijfpraktijk?
Ik ervaar een kort, heftig moment van vreugde bij erkenning, hoe embryonaal ook. Vooral als vanuit onverwachte of onbekende hoek iemand laat weten dat hij of zij mijn gedicht(en) waardeert. Er ligt overigens een bundel van mij klaar die in het voorjaar zal verschijnen bij Uitgeverij P. Intussen werk ik gewoon verder.

Je schetst eenvoudige, alledaagse taferelen, maar een aandachtige lezer ziet over welke grote thema’s het in werkelijkheid gaat. Kun je je vinden in deze beschrijving van je gedichten?
Alles kan aanleiding geven tot een gedicht. Een flard uit het verre of nabije verleden – een gebaar, een blik, een stem, een kunstwerk, een krantenartikel. De observatie van een paar ogen (zoals in ‘Goudvisjes’), van een koffiekopje, de groene schort die je verplicht aantrekt aan een ziekbed, het zijn de details die taal uitlokken. Van de wieg gaat het via een zucht naar het graf. Tja, het wonderlijk vluchtige en ook het lichte daarvan enerzijds, en het ingewikkelde, vreemde daarvan anderzijds boeit me. Wat daarvan de consequenties zijn. Hoe dat niet te overzien is, door niemand, en nooit. Ik hoop als dichter dat mijn taalspel – klank, kleur, ritme, versificatie, beeld enzovoort – het zogenaamd gewone, la petite histoire, kan overstijgen. Als een versregel een lezer (aan)raakt, heeft hij goed gewerkt.

Qua opleiding (talen) en werk (leraar literaire creatie, docent analyse) ben je ook sterk bezig in de poëzie. Hoe verhoudt zich dat tot je eigen werk?

Ik zei het al: ik lijd aan een leesobsessie. Daar heb ik altijd mijn voordeel mee gedaan. Na mijn studie heb ik lange tijd gewerkt als leraar Nederlands, Duits en esthetica in de laatste jaren van het ASO (Algemeen Secundair Onderwijs, het Vlaamse equivalent van het Nederlandse VWO, nvdr). Sinds negen jaar geef ik les in literaire creatie op verschillende academies in het Antwerpse en ik doceer sinds 1995 analyse van literaire teksten in de afdeling Drama/Woordkunst aan het conservatorium van Antwerpen. De huidige lessen staan allemaal in dienst van literatuur en kunst en dat was niet het geval in het middelbaar onderwijs. En toch, een rechtstreeks verband tussen lesgeven en het eigen schrijfwerk zie ik niet. Ik houd ze ook fysiek uit elkaar bij wijze van twee apart staande werktafels.

Als lesgever ben ik een doorgeefluik. Wanneer ik zie dat een leerling of student in de les enthousiast wordt over een tekst of een kunstwerk is mijn dag goed. Af en toe recenseer ik voor De Leeswolf en voor Poëzierapport, nu te vinden op de website van de Contrabas. Ik publiceerde verschillende beschouwingen over beeldgedichten (gedichten bij beeldend werk) en over dubbeltalenten (mensen die schrijver en beeldend kunstenaar zijn). Twee ervan verschenen vorig jaar in De Leeswolf. Behalve poëzie zou ik graag nog meer essays willen schrijven.

Wat maakt goede poëzie tot goede poëzie?
Ik ben ontvankelijk voor en nieuwsgierig naar uiteenlopende poëtica’s. Ik lees als veelvraat zowel Nederlandstalige als anderstalige poëzie. Contact kunnen maken – via klank, ritme, beelden, onverwachte associaties en onvermoede verbanden – is essentieel. Een gedicht moet aan den lijve te ervaren zijn. In contact staan met een tekst, net zoals met een mens, betekent iets anders dan hem meteen doorhebben. Bij dat laatste is voor mij de lol er snel af.

Voor mijn lessen probeer ik eerder te kiezen met het oog op mijn leerlingen of studenten. Ook hun voorstellen krijgen een plaats. Tegelijk onthoud ik ze niet wat mij boeit of bezighoudt, in de hoop dat mijn enthousiasme aanstekelijk werkt. Mijn vertrekpunt als lesgever is de vraag naar wat ze (eventueel) al gelezen hebben. Doel is de blik te verruimen, de leeservaringen te verdiepen. Ik probeer de mythe te ontkrachten dat een tekst altijd en liefst onmiddellijk begrijpelijk moet zijn.

Wanneer zul jij, poëtisch gesproken, tevreden zijn?
Het publiceren begint pas en het leven is kort. Tevredenheid over mezelf is mij in het algemeen nogal vreemd. Ik word almaar ongeduriger, merk ik. Dat is prachtig voor de gedrevenheid en de discipline, maar problematisch voor de bloeddruk en de slaap.

Geplaatst in Interviews en getagd met .