Gedichten

De hospik

De stilte ruikt naar mensenvlees.

Hier hangt de geur van de zee:
van drijvend vlees,
zout in de wonden
en lijven in eigen nat.

Hier wordt niet meer gezwommen,
Hier spartelt men op het droge.

Redden wat te redden valt?

Wat leven wil, moet losgeknipt, weer het sterke water in.

Hier hangt laatste adem
als een ballon in de lucht,
een wenend kind ontvlucht.

En nog een.
En nog een.

En nog een.

BEDANKT VOOR DE BLOEMEN

Je bloemen tussen mijn knieën,
water gutsend uit de vaas,
ze verzuipen een beetje
in hun plantproduct.

Had je maar iets gegeven dat leefde,
naar adem hapte,
me zou aankijken
als ik er tegen praatte,
iets waarvan ik
het warm of koud zou krijgen.

Niet iets dat je doodmaakte
voor je het aan me gaf en nu
langzaam leegloopt onder mijn ogen,
als een tijdbom tussen ons.
Nu is het bewezen,
we lopen zelf leeg in mekaar,
de wortels doorgeknipt,
losgetrokken.

Hoe harder we trekken,
hoe losser de bodem,
hoe meer grond
we aan elkaar verliezen.

HOUSTON WE HAVE A PROBLEM

Liefste,
ik weet dat ge meer ruimte wilt,
maar hoeveel planeten wilt ge concreet?
Hoeveel lichtjaren moet ik van u verwijderd zijn
opdat gij weer kunt zweven?

Ge wilt mij niet langer met u meedragen,
Ge wilt weer gewichtloos zijn.
Een onbeduidende stip tussen zoveel andere?

Is het een ander,
een andere zon om rond te draaien?
Weet ge dan niet dat we allemaal dezelfde zijn?
Even vermoeiend, even verschroeiend
Evenveel pijn op termijn.

Ge hoeft geen vlaggen te planten,
Geen hemellichamen te veroveren,
Hier is het mijne,
Ik ben zwaartekracht,
Ik hou uw voeten op mijn grond.

Maar als gij per se de ruimte wilt,
Als ge denkt te zijn vastgeroest in uw baan,

loop naar de maan.
Word vergeten.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .