LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Marc Tritsmans – Studie van de schaduw

14 feb, 2011

De schaduwen van Marc Tritsmans

door Johan Reijmerink

Het woord ‘schaduw’ roept een menigte aan betekenissen op. Een ruimte waar het licht niet in kan doordringen; een donkere vorm waarin zich door het onderscheppen van lichtstralen een donkere vorm aftekent; een plaats die beschutting geeft tegen het felle licht; een gedaante die slechts vaag valt waar te nemen en een voorspiegeling of een bedreiging die van iets in de toekomst uitgaat. Ik zou nog een stapje verder willen reiken. Mij lijkt de psychologische betekenis van dit belangrijke woord uit de titel nog meer perspectief te bieden aan wat Marc Tritsmans ons in zijn nieuwe bundel Studie van de schaduw (2010) wellicht onbedoeld heeft willen aanreiken.

De Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung heeft zich zijn leven lang intensief met zijn eigen droomwereld en die van zijn cliënten beziggehouden. Dat heeft hem veel inzicht verschaft in zijn eigen onbewuste beweegredenen en die van de mensheid. De vluchtig getoonde gestalte in veel dromen is de man in het zwart die hij aanduidt met het begrip ‘schaduw’. Jung heeft erop gewezen, dat de schaduw de verdrongen en ongunstige (of slechte) aspecten van zijn persoonlijkheid bevat. Zij zijn niet alleen het tegenovergestelde van het bewuste ik. Ze bezitten ook positieve kwaliteiten, zoals normale instincten en creatieve impulsen. In feite zijn het bewuste ik en zijn schaduw onlosmakelijk met elkaar verweven. Er ligt voor ieder mens de opdracht in zijn leven de duisternis zonder vooroordeel en volkomen naïef tegemoet te treden en te proberen uit te vinden, wat haar geheime doel is en wat ze van je verlangt. De vraag is nu in hoeverre Tritsmans in zijn studie van de schaduw daarvan aan zijn lezers laat zien.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen. De eerste afdeling ‘Dagzomend’ begint met het gedicht ‘Fiat lux’:

Fiat lux

kijk dan hoe ze ongebroken opstaan
bevrijd uit het verstikkend graf
van dit zopas nog gesloten boek

hoe de kracht van je ogen hun
de adem inblaast, hun hart snel en
ongetwijfeld overmoedig doet slaan

luister naar het hunkerende altijd
weer nieuwe begin van dit lied
nu het levend lezend licht hier

zo warm is komen binnenstromen
ergens recht een schrijver
als herboren de rug.

Een schrijver herrijst. De woorden komen tot leven. Ze treden uit de schaduw van hun onbewust bestaan. Woorden als schaduwen van de dichter. Nimmer aflatend bewust of onbewust aanwezig. Deze eerste afdeling staat in het teken van de wording van het gedicht. Dat hij ooit zal ‘leren dit leven te/ vlug af te zijn zoals Lucky Luke/ sneller schietend dan mijn// schaduw met woorden die/ glashelder en zo vlijmscherp/ dagzomen/’. De macht over de woorden wenst de dichter zichzelf toe. Wat hem bezig houdt, is dat het weerloze niet wordt vertrapt.
In de cyclus ‘Uit de berg’ schetst hij hoe het beeld in het marmer tot een uitgehouwen beeld wordt. Het ‘vluchtend silhouet’ van Daphne die door Apollo in een bloeiende struik verandert. Dit beroemde beeld van Bernini in de Galleria Borghese staat hier symbool voor het wordingsproces. Als iets dat al maanden ‘broeide en zeurde onbereikbaar/ onbenaderbaar in zijn hoofd/’. De ‘droom van het puurste/ marmer en warmer/ dan elke werkelijkheid//’. De dichter ondergaat hier de metamorfose van beeld naar woord.
Tritsmans weet met snelheid in bondige formuleringen innerlijke gewaarwordingen neer te zetten. Naarmate ik de bundel verder doorlees, groeit mijn bewondering voor zijn zeggingskracht. Ferme slagen, trefzekere woorden, rake beelden.

Wat behoort dan zoal tot zijn schaduw? Was er al dat eerste gedicht ‘Fiat lux’, in de loop van de tweede tot de vijfde afdeling geeft Tritsmans daarover zo nu en dan nader inzicht. In de tweede afdeling ‘Critius, altius, fortius, amen’ blijft hij net als in de eerste afdeling doorgaan met het weglaten van interpunctie en hoofdletters. De gedichten openen zich en sluiten zich zonder dat het aan andere signalen dan de inhoud valt af te lezen. De zon komt op en gaat weer onder. Het houdt nooit op, die stroom van woorden. Alles is er, maar ook weer niet.

Opnieuw is er de vraag of de anonieme ik die geen aanleg heeft ‘voor koetjes en kalfjes’ zich ertoe moet zetten ‘de eigen gebreken en die van de soort’ aan de kaak te stellen. Is de kunst daarvoor wel het geëigende middel? Alles is toch al eerder gezegd. Maar zwijgen is ook geen optie, en zeker te beschouwen als de ‘allerdoodste dood’. De ik voelt zich een ‘man zonder eigenschappen’. Nietszeggend. Inwisselbaar. Wij, Vlamingen, zo lijkt Tritsmans te willen zeggen, hebben niet de lichtvoetigheid, de daadkracht, dat vitale van de Zuid-Europese volkeren. Je kunt aan de condensstrepen in de blauwe lucht de vluchtigheid van ons bestaan aflezen. De dichter vraagt zich af of wij daarvoor kiezen of dat ons dat wordt opgedrongen. Wie bepaalt dat eigenlijk? Vervolgens geeft de fatal error op de computer ‘uitzicht in de leegte in mijzelf/’. In de tussentijd krijgt hij het gevoel dat hij door zichzelf opnieuw moet worden uitgedacht. Al wat je zegt, ben je zelf.
Wie is hij eigenlijk? ‘Ik – maar wie is dat? – moet dus/ geduldig weer worden ingesteld/ afgeregeld, naar de eigen hand/ gezet/’. Op wie stel ik mij in? Wie voeg ik ‘aarzelend aan mijn favorieten toe//’. Een subtiele twijfel over de eigen identiteit en de betekenis van de sociale media als Facebook.
Een hardnekkig schaduwbeeld. Als dan zijn tijd gekomen zou zijn, hoopt de ik dat hij zich niet langer zal verzetten tegen het leven zoals het zich aan hem voltrekt. Daarin ligt zijn moeite. Dat hij zijn bestemming maar vindt, en dat het leven mooi afgerond mag eindigen, zoals een kwartet van Brahms. De strijkmuziek laat ook de moeite horen harmonie te vinden.

In de derde afdeling ‘Alles is er’ zijn de ogen van de ik gericht op de werkelijkheid van alledag. Met die houding beziet Tritsmans de dingen van het leven: ‘het is wat je ziet als het overbodige is/ verdwenen, het is kijken met verloren/ gewaande ogen die zich herinneren/ hoe omzichtig deze breekbare wereld// wel moet worden gezien//’. Aan een ander vraagt hij hem te vertellen waarover het leven gaat. Geef je aan mij bloot. Het aanschouwen van de ringen van Saturnus is voor hem een wonder, zonder zelf ooit gezien te worden. In het gedicht ‘Lente (Revisited)’ wekt de terugkeer van de lente een euforisch gevoel. In een baaierd van geluiden en een stroom van geuren weet de ik zich opgenomen in een wondere werkelijkheid waar hij geen afscheid van wenst te nemen.
Ook het oude beukenbos waarvan de cello gebouwd is waarop de cellosuites van Bach worden gespeeld, maken deel uit van die verwondering: ‘geen mens krijgt hierbij/ ooit nog een zinnig woord over de lippen//’. De muziek komt geregeld in deze bundel aan het woord voorbij. Daarin ligt voor de ik de opperste harmoniesensatie opgeslagen. Een en al verwondering. In de cyclus ‘Watermuziek’ worstelt de jij met haar donkere schaduwkanten: ‘verlos me van/dit kwade’, opdat de jij nog iets van het leven kan blinken in de doodvermoeide loop van het water. De loop van waterstromen lijkt hier metafoor te zijn voor de twee levens die hier in elkaar trachten te vloeien.

In de vierde afdeling ‘Steekt de avondwind op’ staat het titelgedicht ‘Studie van de schaduw’. De dichter gebruikt grote woorden, maar probeert ze telkens weer in een hanteerbaar kader te plaatsen. Hij probeert de grote gevoelens en bewegingen in de werkelijkheid van alledag handen en voeten te geven. Zijn advies aan ons lijkt te zijn: wil niet in de zon kijken om iets te zien, maar zie waar de schaduwen vallen. Hier is schaduw in een positieve zin gebruikt. Spreek over herinneringen aan een kleine hand op een muur, een kindertekening, het kraken van onzichtbare balken en schotten. En luister ernaar. Benut de tijden van harmonie om lief te hebben, te genieten, te schrijven. Als je maar een openbaring vermoedt, ‘een briljante analyse van de wereld/ de heilige graal, mij om het ven// maar levenslang laat het ons/ verlangend en verongelijkt in/ aarzelende schemering achter//’. Spaar ergens een plek in de luwte. Onafwendbaar doet de tijd zijn werk. Er voltrekt zich in eenieder een metamorfose tot de grote verdwijntruc wordt uitgevoerd. Aan het duister valt het licht af te lezen.

Tritsmans is zich voluit bewust van de vergankelijkheid van dit leven. Met zijn dichterschap probeert hij zich te weer te stellen tegen de moeite die het bestaan hem geeft. Wie ben ik? Waarom ben ik hier? Waarnaar ben ik op weg? Twijfel, scepsis, maar ook momenten van hoop, het zoeken naar de heilige graal, telkens opnieuw weer. Er zit vaart in zijn gedichten. Ze intrigeren. Hoewel het allemaal al eens gezegd is, weet Tritsmans je mee te nemen in zijn existentiële excursies. Van ‘Dagzomend’ tot ‘Ben je niet meer’: het begin als het einde. Een open bundel. De muziek komt op en verdwijnt weer. De woorden uit de pen van Tritsmans vormen zich op papier tot poëzie en vallen weer uiteen. De kunstenaar moet doen wat zijn hand vindt. Zoals de poëzie komt, zo verdwijnt ze weer. Als een schaduw.

Schieles hand

alleen zijn snelle hand wist waarheen
het zou gaan, zich elk blad zonder aarzeling
toe-eigenend met forse halen onderwerpend
brandmerkend het echte leven daar vlakbij

dat met de blozende wangen kloppende
aderen in de diepste plooien en kieren
het gulzig en mateloos leegzuigend
dan snel terzijde schuivend zodat het

nog warm nog ademend na dit moment
te minste op papier zou blijven verder bestaan
want niet hij maar zijn hand had weet
van de tijd en wat nog moest worden gedaan.

     Andere berichten