Klassieker 141: Marnix Gijsen – De krantenvrouw

door Karin Doornik

Meander Klassieker 141

Karin Doornik bespreekt ‘De krantenvrouw’ van Marnix Gysen. Wij worden als lezer meegenomen naar een tafereel in een stad bij nacht, we zoomen als het ware in op die ene straat in een onbekende stad die tegelijkertijd elke stad kan zijn. Dit hele gedicht gaat over de vergeefsheid van de boodschap van Jezus in het Nieuwe Testament, de mensen horen en zien de verkondigingen in de Bijbel niet. Tot zover de zedenles. Tegelijkertijd kunnen we in dit gedicht ook de toekomstige agnosticus zien die Gijsen later zou worden.

De krantenvrouw

De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
een even wrak en nutteloos gerucht.
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol donker gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.

Marnix Gijsen (1899-1984)

Uit: Dichters van dezen tijd, P.N. van Kampen & Zoon N.V., Amsterdam, 1951

Vooraf
Ik ontdekte dit gedicht in de door D.A.M. Binnendijk samengestelde 18e druk van de bloemlezing Dichters van dezen tijd van1951. Paul Rodenko nam het vanaf de door hem verzorgde 20e druk niet meer op.

***
Marnix Gijsen werd op 20 oktober 1899 in Antwerpen geboren als Jan-Albert Goris. Zijn schuilnaam refereert aan zijn moeder Euphrasia Gijsen en aan de voornaam van Marnix van Sint-Aldegonde, de non-conformistische, calvinistische burgemeester van Antwerpen uit de zestiende eeuw. Jan-Albert heeft een streng katholieke opvoeding gehad, o.a. bij de Jezuïeten van St.-Ignatius. Hij bleek een opstandige en kritische jongeman: hij liep op zijn zeventiende mee in een betoging tegen kardinaal Mercier, waarbij Paul van Ostayen werd opgepakt die drie maanden gevangenisstraf kreeg. In hetzelfde jaar redigeerde Jan-Albert, samen met Jozef van Caeckenberghe, een Vlaamsgezind schotschrift: Studenten oordeelt! Aan de studenten van het St.-Ignatius Gesticht, waarin de vervlaamsing van dit instituut werd geëist. Dit leverde hem een “Concilium Abeundi” op: het advies om de onderwijsinstelling te verlaten.

In de jaren die volgen zet Jan-Albert zijn eerste stappen van zijn literaire carrière. We zullen hem vanaf dit punt Marnix Gijsen noemen.

Marnix Gijsen kennen wij vooral als romanschrijver (Joachim van Babylon was zijn romandebuut, o.a. Klaaglied om AgnesDe vleespotten van EgypteEr gebeurt nooit iets volgden). Gijsen begon zijn literaire carrière echter als humanitair-expressionistisch dichter. In 1920 vond hij gelijkgestemde auteurs bij de oprichting van het avant-gardetijdschrift Ruimte. Dit tijdschrift was gericht tegen het anarchistisch-individualisme en stond voor collectieve cultuurwaarden: de arbeidersbeweging, de politieke partij, de staat en de kunst in dienst van ‘ethische waarden’, d.w.z. het moderne gemeenschapsleven. Het is een kring van intellectueel en artistiek vooruitstrevende en links gerichte jongeren. In dit jaar debuteert Gijsen als dichter met ‘Loflitanie van de H.Franciscus van Assisië’, een fragment:

    en – laat me vragen drie dingen, niet waar? vooral en
vooreerst – geef aan allen en geef aan mij, een

vaderland om te beminnen,

Geef, – en hier smeek ik u ‘de profundis’ van walg – dat
de menschen elkanders Vaderland leeren beminnen,

Laat de wereld worden één gansche vreugde van
witten vrede en algeheele communie, gelijk uw blije
naakte lijf toen gij stierft. O mijn vriend, mijn broeder,
mijn heilige vader Franciscus.
Amen.

Dit gedicht heeft een wat brallerige toon, terwijl ‘De krantenvrouw’ sober van stijl is. In dit werk en de bundel Het Huis (A.A.M. Stols, ‘s-Gravenhage, 1925) waaruit het gedicht ‘De krantenvrouw’ oorspronkelijk komt, wijst nog niets erop dat Gijsen een romanschrijver zou worden. Het is heel interessant om te kijken of er in dit gedicht al voortekenen zijn van het latere stoïcijns-agnosticisme, de richting die Gijsen opging tijdens WO II. Wat betreft het stoïcisme kunnen we in deze werken al goed herkennen dat Gijsen de morele plicht erkent zijn sociale verplichtingen te vervullen, deel te hebben aan de menselijke gemeenschap. Naast zijn literaire werk heeft Gijsen dan ook tal van hoge, openbare functies bekleed. Zo was hij gedurende de oorlog Commissaris van het Belgian Government Information Center in New York.

Een agnost claimt geen kennis te kunnen bezitten over de vraag of er een God is of niet. In de bespreking die volgt, zal ik aangeven waar we in het gedicht de kiem van het agnosticisme kunnen vinden. (Zie http://schrijversgewijs.be/schrijvers/gijsen-marnix/)

Proza of poëzie?
‘De krantenvrouw’ schetst een beeld van een donkere straat in een niet nader genoemde stad. Het zou een prozastuk kunnen zijn: witregels ontbreken en als je de regels achter elkaar zou zetten is het een verhaal. Het Huis bevat veel van deze anekdotische verzen.

Natuurlijk is het geen proza: regels worden afgebroken en er worden rijmwoorden gebruikt. Als ik witregels aan zou willen brengen dan zouden die zich bevinden tussen r. 6 en 7, 12 en 13. In regel 7 begint een nieuwe regel met hoofdletter, in regel 13 gaat de dichter vragen stellen over de scène die in de voorafgaande regels wordt geschetst.

Het rijm wordt schaarser naarmate het gedicht vordert. In regel 1 tot en met 6 worden vier rijmwoorden gebruikt: avondlucht en gerucht, laten en verlaten. In regel 7 tot en met 14 lantaren, gebaren, nacht en lacht, gebeuren en deuren. Daarna rijmen alleen nog slot (r.16) en God (r.20). Dit is echter wel een heel krachtig rijm ondanks de drie tussenliggende niet rijmende regels, dat is goed te merken als je het hardop leest. Opmerkelijk is hierbij wel dat het gedicht niet eindigt met een vraagteken maar met een punt, terwijl het wel een vraag is: Waarom (r. 17) …… God. Hierover straks meer.

Inhoud
Gijsen geeft een goede sfeertekening van een straat in de nacht. Er roept een krantenvrouw, die iemand zal zijn die huis aan huis kranten probeert te verkopen door de koppen uit de krant te roepen, of ‘het laatste nieuws’ of zoiets. ‘En wil niet laten‘ (r. 3) betekent dat zij het niet opgeeft. Dan wordt een retorische vraag gesteld (r.4 en 5) over de eenzaamheid van deze vrouw. Eerlijk gezegd krijg ik hierbij Dickensiaanse beelden en moet denken aan het nieuwe boek van Auke van der Woud: Koninkrijk vol sloppen, een beeld van de krottenwijken in het Nederland van de 19e eeuw.
Regel 6 intrigreert: ‘een even wrak en nutteloos gerucht.‘ Slaat dit op het geklaag van de krantenvrouw of op regel 4 en 5: ‘Is er een mensch ter wereld meer verlaten?‘ Deze regel lijkt ook vooruit te lopen op regel 19 ‘zoo vergeefs en ellendig,‘ waarover straks meer. Ik heb hierbij ook de neiging om te lezen: een even wrak als nutteloos gerucht.

Er is een ster en een lantaren (r.7). De ene ster versterkt het beeld van een smalle straat waarboven je slechts die ene ster kunt zien. Daar komt nog de ‘smalle nacht‘ bij van regel 8 die de benauwdheid van het alledaagse leven lijkt te suggereren.

In regel 9 komt er kleur in het tafereel door het rendez-vous van ‘…een minnaar met de ronde gebaren en een meisje dat huivert en lacht.‘ Binnen de huizen is het geheimzinnig, er speelt zich van alles af waar we niets van weten (r.11 en 12). De dichter vergelijkt de huizen met ‘de wanden van een oud en rijk tooverslot‘. Dit staat in contrast met de (vermeende) armoedigheid van deze straat en de alledaagsheid die ik heb gezien in de ‘smalle nacht‘.

Het geklaag van de krantenvrouw wil niet doordringen in de donkere huizen (r. 13 en 14), het is vergeefs, de stem breekt ‘als een slechte sleutel/ in het harde slot”'(r. 15 en 16). In de laatste vier regels vergelijkt de dichter dit met het lijden van Christus: het vergeefs vergoten bloed van de gemartelde, met doornen gekroonde en gekruisigde Jezus:

Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God.

In dit verband lijken de regels 4 en 5, ‘Is er een mensch ter wereld meer verlaten?‘, vooruit te lopen op dit slot.

Zedenles of agnosticisme?
De bundel Het Huis bevat ‘anekdotische verzen die stuk voor stuk een zedenles illustreren‘.
(Zie http://schrijversgewijs.be/schrijvers/gijsen-marnix/)

Wij worden als lezer meegenomen naar een tafereel in een stad bij nacht, we zoomen als het ware in op die ene straat in een onbekende stad die tegelijkertijd elke stad kan zijn. We zitten midden in ‘het moderne gemeenschapsleven’, de arme krantenvrouw die iets probeert te verdienen, de minnaar en het meisje, de mensen in hun huizen vol ‘donker gebeuren’. Dan stijgen we er ineens bovenuit: er is een ster boven ‘der menschen smalle nacht’. Die ene ster geeft aan dat er boven de stad nog een hemel is: de ster zelf symboliseert de hoop op de komst van de Messias: de boodschap uit de bijbel. Er is dus niet voor niets gekozen voor een krantenvrouw, die immers ook haar berichten, het nieuws wil verkopen aan de mensen. Maar, ‘Is er een mensch meer verlaten?‘ (4 en 5), loopt vooruit op de verlaten en verraden Jezus aan het kruis in regel 19 en 20. In regel 6 wordt het geklaag van de vrouw een wrak en nutteloos gerucht genoemd. Ik trek ook hier weer een parallel met de bijbel: al tweeduizend jaar verkondigt de bijbel de boodschap van de wederkomst van de Messias, maar de boodschap komt niet aan. De deuren zijn gesloten (r. 14). Haar woord (r.17) kunnen we lezen als ‘het Woord’, nl. de bijbel, dat ‘druppelt op den drempel der menschen, zoo vergeefs en ellendig, lijk het bloed van mijn God.

Dit hele gedicht gaat over de vergeefsheid van de boodschap van Jezus in het Nieuwe Testament, de mensen horen en zien de verkondigingen in de bijbel niet. Tot zover de zedenles.

Tegelijkertijd kunnen we in dit gedicht ook de toekomstige agnosticus zien die Gijsen later zou worden. Er is twijfel over de boodschap, versterkt door alle regels die een vraag zijn: (r. 4 en 5, r. 15-20). De dichter noemt God ook ‘mijn God’, en dan zien we in plaats van het gebruikelijke vraagteken een punt achter de allerlaatste regel, dat de vergeefsheid en ellendigheid bevestigt:

zoo vergeefs en ellendig/lijk het bloed van mijn God.

In die regel duikt ook het ik-perspectief op (mijn God) waardoor we hier de eerste tekenen van twijfel aan het bestaan van één God kunnen zien. De agnosticus heeft geen kennis, want ‘haar stem breekt als een slechte sleutel in het harde slot‘.

********

In latere drukken van Het huis dan waarvan D.A.M. Binnendijk voor Dichters van dezen tijd gebruik maakte, blijkt ‘De krantenvrouw’ op een aantal plaatsen gewijzigd te zijn. Regel 6 begint nu met ‘en’ in plaats van ‘een’ en sluit af met een vraagteken. In regel 11 werd ‘donker’ tot ‘wonder’. Regel 15 werd verdeeld over twee versregels, de slotregel kreeg een vraagteken. Significante verschillen!

De krantenvrouw

De kleine klaagstem van de krantenvrouw
siddert door d’avondlucht
en wil niet laten.
Is er een mensch ter wereld
meer verlaten?
en even wrak en nutteloos gerucht?
Er is een ster en een lantaren,
boven der menschen smalle nacht.
Er is een minnaar met ronde gebaren
en een meisje dat huivert en lacht.
De huizen zijn vol wonder gebeuren:
de wanden van een oud en rijk tooverslot.
Waarom klaagt de krantenvrouw
aan alle gesloten deuren?
Waarom breekt haar stem
als een slechte sleutel
in het harde slot?
Waarom druppelt haar woord,
op den drempel der menschen,
zoo vergeefs en ellendig,
lijk het bloed van mijn God?

Uit: Het Huis. Verzen, Meulenhoff, Amsterdam, 3e druk 1981.

 

Geplaatst in Klassiekers.