Lieke Marsman – Wat ik mijzelf graag voorhoud

Er hangt iets heel groots in de lucht

door Bouke Vlierhuis

Lieke Marsman heeft, zoals veel dichters, een verleden bij Meander. In oktober 2008 stonden er drie gedichten van haar in de rubriek ‘Dichters’. Op basis van die inzending werd ze genomineerd voor de Meander Dichtersprijs 2009. Ze werd tweede. Toen we in 2009 de verzamelbundel Nog een lente gingen samenstellen, was haar naam dan ook bij de eerste die op de lijstjes verschenen. Ondertussen had Marsman ook in de papieren tijdschriften van zich laten horen. ‘Er hangt iets heel groots in de lucht’, dichtte zij in ‘New York’, dat in 2009 in Tirade verscheen. En ze had gelijk. Inmiddels is haar debuut al een tijdje uit en is het in zo’n beetje alle serieuze media besproken. Dat overkomt maar weinig debuterende dichters. Het overgrote deel van die recensies was juichend ook. Een aantal besprekingen ging vergezeld van een grote foto van de dichteres, die met haar tengere maar zelfverzekerde verschijning en haar doordringende blik – door Annaleen Louwes vastgelegd in een indrukwekkend auteursportret, dat ook het achterplat van de bundel siert – waarschijnlijk net zozeer als haar poëzie de aandacht van de redacties heeft getrokken. Ook op het podium maakt ze, met haar rustige, onopgesmukte manier van voorlezen, grote indruk. Lieke Marsman lijkt, kortom, alles mee te hebben om een grootheid te worden.

En dan heb ik het nog niet eens over haar gedichten gehad. Daar is inmiddels dus ook al heel wat over geschreven. En zelfs daarover heeft collega Edwin Fagel van De Recensent al weer iets geschreven.

Wat moet ik dus nog zeggen? Laat ik er gewoon even eentje citeren.

Hoe ver nog naar Tennessee

Zoals je opeens, op een gelukkige vrijdag,
ook met je andere oog kan knipogen: dat
verleer je niet meer, stopt de auto. Kleine Simon
grijpt in de berm naar zijn hoofd, misschien
naar de berm in zijn hoofd en zegt: Het is
die verdomde wurgziekte weer, ik kom er maar
niet vanaf – steeds wanneer niemand mijn hand
vasthoudt, wurg ik mezelf, vanzelf, waar moet ik die
handen anders ook laten. Ik vraag of we wellicht
kunnen vluchten, dus rennen we door de woestijn
naar Memphis. We lijken wel een goedkope hollywood-scène
en zouden nu graag vleugels krijgen, maar krijgen
vermoeide armen en benen.

Of zoals je opeens, uit het niets, twee dagen
op rij deze koortsdroom hebt en niemand
stopt de auto, geeft je een knipoog. Wel legt iemand
een warme kruik naast je neer, dat voelt aan
als een mensje. Ik leg het soms
in de ruimte tussen mijn benen
tegen mijn kruis, dan
begint het mensje te huilen.

Dit is een typisch Lieke Marsman-gedicht. Het voelt als een anekdote – of liever: een aantal aan elkaar gemonteerde anekdotes – maar het is nooit duidelijk waar het precies allemaal naar toe gaat. Het is zinnelijk en fysiek en heeft een sterke band met haar/het vrouwelijk lichaam. Het is, om die andere Marsman er maar even bij te halen, groots en meeslepend, maar refereert ook regelmatig aan de wereld van het kind. Amerika komt als thema vaak terug in deze bundel en geeft vorm aan de grote gedachten en grootse beelden in het hoofd van de dichteres. Maar het gedicht eindigt in de intimiteit van het eigen bed. Amerika kan ook, zoals bijna alles in deze bundel – de dichteres zelf op de eerste plaats, op een ironische sneer rekenen: ‘We lijken wel een goedkope hollywood-scène’. Een sneer die overigens ook weer opgevat kan – en moet – worden als ironisch gebruik van een gemeenplaats. En dan is er het klankspel en het subtiele gebruik van herhaling dat deze gedichten zo geschikt maakt voor het podium: ‘ in de berm naar zijn hoofd, misschien / naar de berm in zijn hoofd’, ‘mezelf, vanzelf’, wellicht – woestijn, ‘vleugels krijgen, maar krijgen / vermoeide’, niemand – iemand, ruimte – kruis – huilen.

De kritiek is makkelijk te formuleren: door hun wat laconieke babbeltoon, hun losse associaties en hun open, breed uitwaaierende structuur zou je deze gedichten voor ‘makkelijk’ of ‘vrijblijvend’ kunnen uitmaken. Toch zou je daarmee wat mij betreft de plank misslaan. Want deze gedichten zijn goed.

Dat heeft, zoals altijd bij goede poëzie, ook met muziek te maken. En met plezier. De gedichten van Marsman lopen, ondanks hun grote hoeveelheid tekst, als popliedjes. Ze lezen dus ook gewoon lekker. Het zijn plezierige gedichten met mooie beelden, een flinke dot puberaal melodrama – afgewisseld met volwassen observaties – en een zangerige, licht ironische toon die duidelijk maakt dat ze ook met plezier geschreven zijn. Bovendien, als een gedicht bij eerste lezing zo gemakkelijk en soepel als het hierboven geciteerde gedicht al zo’n complexe structuur van betekenislagen laat zien, maakt het weinig meer uit of de vorm hier en daar rafeltjes vertoont. Sterker nog, de losse vorm versterkt het gedicht en geeft de lezer ruimte: bladerend door Wat ik mijzelf graag voorhoud kun je makkelijk midden in een gedicht beginnen te lezen en binnen het gedicht een heel nieuw verhaal ontdekken.

Lieke Marsman is twintig. Als ze de rest van haar leven iedere twee à drie jaar een bundel produceert, zit er een oeuvre van tientallen bundels in. Wat een rijkdom zal dat zijn voor de Nederlandse poëzie.

Geplaatst in Recensies.