Gedichten

IJstijd

Toen ik vroeg in welke tijd je het liefst
en waarom, riep je: ‘ijstijd.’ ‘De grote of de kleine?’
‘Doe maar de grote.’

Of je wel wist dat zelfs de mammoetjagers hier niet kwamen,
dat er geen begroeiing was op mossen, gras en poolwilg na
en een bloempje dat uitbundig bloeide, dwars door stenen,
zand en sneeuw: de dryas octopetala.

En dat je toen zei dat je gewoon met rust gelaten wilde worden.
Dagenlang niemand tegenkomen, niemand die iets van je wil.
Ik wenste je veel kou toe, deed mijn jas aan en mijn wanten.
Later kwam ik je nog één keer tegen. Je lag dood naast een wak,
er groeiden bloemen uit je ogen.

Gebed voor stilstand

ik bid voor bloed en niets dan bloed
dat ook stroomt als we niet bewegen

dichte deuren, kalme vuren
zachte wimpers, het oog van de poes
dat lijntjes volgt die wij niet zien

ik bid voor stilstand, moleculen,
darmprocessen, kweekvis, varkens
speel maar in mijn maag, wees vrij

ik kan nu niets meer doen

dat het straks in huis mag galmen
van de stilte rond de ramen
dat het straks in huis mag sneeuwen
stapels ragfijn wit katoen

Poppetjes

kijk eens in de poppetjes van je hoofd
die poppetjes hebben hersenen
en in die hersenen zitten weer poppetjes

hoeveel lagen diep zit het poppetje
dat alle andere poppetjes in gang zet?

tel de lagen
graaf hem uit
ik hou van je diepste poppetje

Geplaatst in Gedichten en getagd met .