Gedichten

Waar we al een tijdje aan werken

We doen vaak alsof we Nicci French zijn. Alleen schrijven we niet samen en houden we niet van boeken waarin moorden worden gepleegd. Een van ons kreeg laatst een oproepkaart om bloed te komen doneren. Veel verder moet het niet gaan.

We hebben geleerd hoe we gedachtestreepjes kunnen typen – en dat dat niet automatisch betekent dat onze gedachten beter in het gehoor gaan liggen. Soms leggen we onze oren op de vensterbank en keren in stilte terug naar ons toetsenbord. We houden de letters onder onze vingers, de aanslagen per minuut op afstand. We lezen over bermbommen.

We zeggen dat de ander de liefste is die we kennen en dat als we nog meer mensen zouden kennen de ander dan nog steeds de liefste zou zijn. We maken ruzie over wie de ander mag zijn. We roepen ‘meeste stemmen gelden’ en komen geen stap verder.

We spelen mikado met te scherp geslepen potloden. We doden de tijd door gaatjes te prikken in onze agenda’s. Tussen brengen en halen brengen we onze dromen zachtjes tot ontploffing.

We wikkelen onze botten in huishoudfolie en noemen het huid.
We besluiten dat geluidloos huilen donker klinkt.

 

 

Ik zal nog eens ergens een punt achter zetten

Ik kwam niet meer buiten. Omdat alles troebel was,
waren komma’s kikkervisjes en het ging al meer
over sloten dan over wat ik besloten had.
 
Iemand die niet wist dat ik op een flat woonde,
deed mij een boek over vijvers cadeau.
Er stond in hoe je een natuurlijke omgeving
kon scheppen.
 
In het drassige gebied tussen
beschermd en bedreigd voelde dat
natuurlijk heel anders.
 
Aan de hand van bepaalde bronnen bepaalde ik
dat niet gescheiden, niet alleen
voor land en water steeds de beste optie was,
zodat je ten slotte opnieuw kon beginnen

Uitkomst

Als je komt wil ik je weleens
openpeuteren, voorzichtig
bekijken wat je bevat.
 
Als je niet zou weten dat ik altijd
onvoldoendes haalde voor wiskunde,
zou je kunnen denken dat ik weet wat ik doe
met mijn geodriehoek.
 
Ik verdeel je in vakjes als een soort
omgekeerde adventskalender.
Waarmee ik niet wil zeggen dat je van karton bent of naar
muffe chocolaatjes smaakt, dit is geen vergelijking
maar een manier om je hier te houden.
 
Misschien laat ik je dicht.
Ik nummer je en vertel me steeds,
ik vertel je steeds dat je kunt blijven.

Hoe vaak ben je blijven zitten?
Als je opstaat, blijk je telkens toch weer
op te delen in kleinere eenheden.

Geplaatst in Gedichten en getagd met .