De sluipweg van de waarneming

Peter Mangel Schots werd geboren in Lier op 30 oktober 1972. Hij groeide op in Heist-op-den-Berg en liep school in Hulshout, waar zijn ouders lesgaven. Zijn middelbaar onderwijs volgde hij in Lier en nadien trok hij naar Leuven waar hij eerst aan de K.U.Leuven ging studeren en waar hij zich nadien ook vestigde. Literatuur en schrijven namen al die tijd een belangrijke plaats in zijn leven in.

Je bent dichter, schrijver, vertaler, redacteur en je blogt regelmatig. Op je website schrijf je bij wijze van motto: “Poëzie huist niet alleen in verzen, maar evenzeer in proza, in de liefde of in de natuur. Voor wie waarneemt, is ze overal.” Is waarneming voor jou het belangrijkste van poëzie?

Per MangelschotsIk schrijf daar ook: “Poëzie is wat op deze pagina’s staat – en wat er niet staat.” Dat klinkt misschien wat gratuit, maar er zit een welomlijnd idee achter. Ik leg het even uit. Het literaire luik van mijn website bestaat uit vijf onderdelen: Proza, Publicaties, Prijzen, Podium en … Gedichten. Ik had daar ‘Poëzie’ kunnen zetten – netjes vijf P’s – maar dat heb ik bewust niet gedaan. Uit een soort van schroom tegenover wat Poëzie voor mij is, namelijk datgene wat zich niet laat vangen, wat aan elk gedicht ontsnapt. Ze is de essentie (en schuilt ook in andere dragers dan verzen), maar ze is tegelijk quasi onzichtbaar. Je kunt het vergelijken met een zwakke ster aan de hemel. Als je er recht naar kijkt, verdwijnt ze in de gele vlek van je oog. Het helderst zie je ze als je je blik er een eindje naast richt. In die zin is elk gedicht een poging om dicht bij de Poëzie te komen (om de ster te zien), zij het een poging die bij voorbaat mislukt. Die poging ondernemen is een drijfveer om gedichten te schrijven. Maar niet alleen het doel spreekt me aan, ook het middel – creatief en ongeremd omgaan met taal – draagt het nodige genot in zich.

Zijn dichters bij wie de waarneming een rol speelt (het bezingen van het zichtbare en het suggereren van het onzichtbare) ook je favoriete dichters?
Niet noodzakelijk, maar nu ik erover denk: een aantal toch wel. Misschien moet ik dan eerst even zeggen waar mijn voorkeuren zoal liggen. Ik lees veel poëzie en veel uiteenlopende stijlen, maar enkele gevestigde namen die ik graag lees en herlees zijn Verhelst, Van Bastelaere, Ducal, Claus ook, en Pernath. Naast een aantal van mijn eigen vrienden en generatiegenoten natuurlijk. Maar er zijn er vele anderen die ik graag lees, onder wie enkele getalenteerde jonge Nederlanders zoals Ester Naomi Perquin.
Verhelst schrijft inderdaad uitgesproken zintuiglijk, maar ook bij die andere namen vind je heel wat waarneming terug, tenminste aan de oppervlakte. Want het blijft daar natuurlijk niet bij. Onder die waarneming schuilt heel wat meer. Het klopt dat ik die manier van werken interessanter vind dan dichters die rechtstreeks naar het abstracte grijpen, naar beschouwingen over liefde, leven en dood, waarheid en leugen. Geef mij maar de sluipweg van de waarneming.

Wat maakt de waarneming geschikt als uitgangspunt voor poëzie?
Waarneming is erg geschikt om het lyrische ik achter te verbergen. Het kan een maskerade zijn om dichter bij het doel te komen. Zoals ik net aangaf: de essentie laat zich makkelijker benaderen via de smalle paden van waarneming, tafereel en detail dan via de boulevards van de grote woorden en de abstracte ideeën.

De waarneming staat in veel van je gedichten centraal: in ‘My Funny Valentine’ een chique diner, in ‘Deus Creator’ de voorspelling van de scheppende God. Maar wat je exact tot uitdrukking wilt brengen is in het gedicht niet zichtbaar en daarom prikkelend voor een lezer. Ik vraag mij daarom af waarop volgens jou de nadruk zou moeten  liggen: bij de dichter die poëzie schept, of bij de lezer die poëzie een plaats geeft?

Het lijkt me niet nodig om de nadruk bij deze of gene te leggen. Beiden zijn onmisbaar en dragen in belangrijke mate bij aan een gedicht. Zonder de dichter is poëzie ongeboren, zonder de lezer is ze doodgeboren. De dichter schept, maar de lezer creëert mee, voegt door zijn lezing iets toe aan het gedicht.
Je opmerking dat hetgeen ik exact tot uitdrukking wil brengen niet in het gedicht zichtbaar is, vind ik wel van grote waarde. En erg aangenaam om te horen. (lacht) Want dat geeft volgens mij aan dat ik in die gedichten dat smalle pad betreed. Dat de maskerade om de Poëzie iets dichter te kunnen benaderen toch enigszins gelukt is. En op die manier is er ook nog een flink deel van de koek voor de lezer weggelegd.

Je ontplooit veel verschillende activiteiten: dichten, schrijven, vertalen, interviewen, redactioneel en journalistiek werk. Put je uit verschillende bronnen of zijn al die activiteiten tot één punt te herleiden?
Het zijn allemaal uitgesproken activiteiten waarbij je door middel van taal greep tracht te krijgen op de werkelijkheid en bovendien ontstaan ze vanuit één ik, dus zijn ze automatisch verweven. Maar de ‘absolute nulgraad van het schrijven’ is nogal utopisch, weten we ondertussen, en dus ga je al die activiteiten op een andere manier inkleuren. Vooral de journalistieke benadering is afwijkend in de zin dat het fabuleren daar beter tot een minimum beperkt blijft. (Grijnst.)

Kennen ook je andere werkzaamheden de waarneming als vruchtbaar uitgangspunt?

Meer dan mijn gedichten zelfs. Voor journalistiek werk ligt dat voor de hand, maar ook mijn proza neigt hier en daar naar het filmische. Ik herinner me dat destijds bij het verschijnen van De verborgen geschiedenis gezegd werd dat Donna Tartt erg ‘filmisch’ schreef. Als iemand zijn benen over elkaar sloeg, dan stond dat er ook zo. Ik vond dat wel iets hebben.

Keert de poëzie in je andere werk (vertalen, schrijven, interviewen) terug? Of andersom, komt de ervaring en de werkwijze die je op andere gebieden hanteert, terug in je poëzie?
In al wat ik schrijf, zit veel verbeelding, zelfs in de sportjournalistiek. Bijvoorbeeld: ik heb op vraag van uitgeverij Roularta twee jaar geleden enkele boekjes gepubliceerd met geschreven portretten van voetballers. Dat lijkt mijlenver af te staan van poëzie, maar daar is toch behoorlijk wat beeldrijke taal in geslopen. Ik ben ook niet de reporter die dagelijks op zoek gaat naar nieuws, ik werk meer aan grotere achtergrondreportages of kleine schetsen van randfenomenen. Daar mag best wat poëzie in, vind ik.
Omgekeerd kan ik niet zeggen dat die andere activiteiten doordringen in mijn gedichten. Invloed is iets dat bergaf stroomt en poëzie staat voor mij nog altijd aan de top van de literaire genres.

Zie: www.petermangelschots.be

Geplaatst in Interviews en getagd met .