Hoe de glazen op een bar zijn opgestapeld

Loren Brouwers (1991) is in Den Bosch geboren en woont sinds kort in Nijmegen. Ze heeft een sterk groeiende passie voor poëzie, is nieuwsgierig, houdt van ontdekken en van verwonderen. Met haar gedichten won ze een aantal (kleine) wedstrijden en staat ze in  DoeMaarDichtMaar 2010, Klein Deventer Winterboek, Eindhovens Dagblad, Woordenstroom en Brabant literair. Onlangs won ze de voorronde van Write Now! Den Bosch. Het liefste leest ze gedichten van Rutger Kopland.

Loren BrouwersJe gedichten ademen een sfeer van verlatenheid en eenzaamheid die overal opduikt: in de drukte van de stad, het geroezemoes van een terras, tussen twee geliefden. De verteller lijkt een introverte observator. Ze draagt een soort eenzaamheid in zich, die niet hetzelfde betekent als ‘alleen zijn’. Herken jij je in deze interpretatie?
Gedeeltelijk. Ik kan soms wel echt een dromer zijn, iemand die een beetje verdwijnt in een eigen wereld. Dat brengt een afstand met zich mee tegenover de rest van de wereld en die afstand zou je kunnen beschrijven als eenzaamheid, hoewel ik niet weet of dat wel het goede woord is. De sfeer in mijn gedichten voelt voor mij namelijk niet leeg of negatief, (zoals je zou denken bij eenzaamheid), maar eerder vol.
Als schrijver ben ik zeker een observator, maar buiten het schrijven om eigenlijk maar weinig. Als ik door de straten loop, beleef ik mijn omgeving niet speciaal intens en er zijn ook maar weinig momenten dat ik zomaar inspiratie krijg. Toch heb ik wel heel veel behoefte aan dat intense. Ik denk dat ik daarom ook schrijf, het is voor mij een soort poging om deze behoefte te vervullen.

Zijn dichters dan per definitie eenzame waarnemers?
Dat zou betekenen dat je per definitie geen dichter bent als je geen eenzame waarnemer bent en dat lijkt me wat eenzijdig. Er zijn zoveel verschillende soorten poëzie en daarbij zit er vaak ook een verschil tussen de dichter zelf en het werk dat hij schrijft. Ik houd erg van poëzie waarin nauwkeurig wordt waargenomen, vooral als het gaat over dingen die in eerste instantie niet opvallen of niet belangrijk lijken. Ik denk wel dat dit waarnemen belangrijk is voor het schrijven van gedichten, ook omdat beeldend schrijven vaak een grote rol speelt in poëzie, maar dit is natuurlijk mijn visie.

In je poëzie lijk je nogal berustend in de dingen die komen en gaan, het is bijna alsof je er afstand van neemt. Is het een afstand die je bewust creëert? En is de bijna onderhuidse spanning een gevolg van het sterk intomen van al te naakte emoties die het papier niet mogen bereiken?
Ik vind in het schrijven ‘het niet zeggen’ en het weglaten wel erg belangrijk om juist zeggingskracht te creëren. Vooral als ik schrijf over wat zwaardere dingen probeer ik juist de schijnbaar onopvallende details naar voren te brengen, om daarmee sfeer te maken. Het zou kunnen dat dit afstand nemen en weglaten veel spanning met zich meebrengt, omdat juist in deze afwezigheid de dingen ook heel aanwezig kunnen zijn.
Die afstand en die berusting horen ook wel bij mijn stijl. Ik vind het mooi om een soort van stilleven te creëren. Ook het idee dat alles komt en gaat geeft me een soort van rust en het ontroert me ook op een of andere manier. Dat is ook een van de redenen dat ik het werk van Rutger Kopland erg bewonder. In zijn werk en visie op poëzie lees ik die berusting ook, dat idee dat alles gewoon doet wat het doet en dat dit een bepaalde schoonheid met zich meebrengt. Misschien is dit trouwens ook wel de reden dat de natuur ons ontroert. In de natuur doet alles wat het doet en alles blijft zich herhalen met een bepaalde simpelheid.

Sommige regels zoals ‘dan sluit de rivier / zich een jas om je armen, als een man / met koele schouders’, kun je tijdens het lezen bijna fysiek voelen. De jury van Write Now! bewierookte in één zin je ‘zintuiglijke stijl, met prachtige en ontroerende beelden en goede metaforen’. Waar haalt een negentienjarige dichteres zo’n sterk zintuiglijke, fysieke zeggingskracht vandaan? Of is dat juist eigen aan die leeftijd?
Ik denk niet dat het veel te maken heeft met mijn leeftijd. Eigenlijk weet ik niet zo goed waar ik het vandaan heb. Ik weet wel dat ik die behoefte en dat verlangen naar dat sterke en intense waarnemen sterk heb. Het is voor mij ook een soort van eeuwig zoeken dat mij fascineert en ontroert, een bepaalde manier van kijken en beleven van de dingen om mij heen die me interesseert. Als ik inspiratie nodig heb, begin ik vaak met heel nauwkeurig kijken of ik onopvallende details om me heen kan zien. Bijvoorbeeld de manier waarop de bladeren wiegen, een scheurtje in mijn vloer, de kleuren van stenen, hoe de glazen op een bar zijn opgestapeld. Als ik daar dan vervolgens beeldende omschrijvingen van maak, ontstaat er vaak gaandeweg een gedicht. Zoiets heb ik ook gedaan met ’Kade bij een stad’. Dit gedicht is begonnen bij het beeld dat ik had van een mooie lange straat in Nijmegen met uitzicht op de Waalkade.

Je geldt nu als belofte. Hoe zie je de toekomst tegemoet? Overweegt de hoop dat je de belofte zal waarmaken of de angst dat je deze misschien niet zal inlossen? Of neem je gewoon een afwachtende houding aan en zie je wel wat er uit de bus komt?
Ik kijk vooral wat er komt. Ik ben blij met elk succes en elke nieuwe mogelijkheid om mijn werk te laten zien aan de buitenwereld. Ik hoef niet zo nodig mijn geld te verdienen met schrijven, maar ik wil er wel graag mee doorgaan. Het lijkt me geweldig om ooit een bundel uit te geven en – naast mijn andere werk – dichter te kunnen zijn.

Geplaatst in Interviews en getagd met , .