André van der Veeke – Blauw als ijs

Oog voor wat de werkelijkheid ongrijpbaar maakt

door Joop Leibbrand

André van der Veeke opent zijn bundel Blauw als ijs met het als een aparte afdeling vooraf geplaatste titelgedicht:

BLAUW ALS IJS

Ontsnapt aan kanker, hartfalen
aan de zuigende klei in zijn kamers
en aan alle gevaren van eigen verhalen
gaat hij zitten, de tafel een eiland
midden in de blinde winter van 1946

Alsjeblieft, de rivier lag toen dicht
Hij laat vergeelde foto’s neerdalen
Natuurgeweld op kiekjesformaat,
verkleumde schaduwen
en een halve voorbijganger

Op een uitvergrote foto zijn afkomst:
vader, moeder, negen kinderen
Hogeschooldressuur uit het verleden
Donkere, veel te mooie gezichten
Zuidelijke verwachting op ieders lippen

Dit is mijn engel, mijn oudste zus,
naar Australië geëmigreerd
Lachend: Meteen onder een auto gelopen
en dood (Wandelt met duim en wijsvinger
door de diepe voren om zijn mond)

En dan terugkomend op het jaar 1946:
Op een avond brandde er licht,
blauw licht onder het ijs van de rivier
Van onze oever tot aan de overkant
Dat heb ik later nooit meer gezien

Het had een gedicht van de Criteriumgeneratie geweest kunnen zijn, van een dichter als Hoornik of Vasalis, van wier beste werk gezegd werd dat het de werkelijkheid niet alleen afbeeldde, maar tegelijkertijd ook laadde met mysterie. Het laat in ieder geval breeduit zien dat Van der Veeke een dichter is die kiest voor een realistische, anekdotische aanpak en zich daarin een scherp waarnemer toont, heel precies formulerend, maar met juist zoveel distantie dat de lezer ruimte krijgt de beelden zelf in te vullen, want Van der Veeke heeft ook oog voor wat de werkelijkheid ongrijpbaar maakt.

Na dit voortreffelijke openingsgedicht volgen nog drie afdelingen, waarvan ‘De Waterrepubliek’ de uitvoerigste is. Dit deel begint sterk met een aantal natuur- en landschapsgedichten die geschilderd lijken door een Hollands-Zeeuwse realistische meester met een palet dat aan de blote observatie regelmatig een toets van weemoed en melancholie weet toe te voegen. Er zijn verder gedichten waaruit je bijna zou kunnen opmaken dat Van der Veeke erin solliciteert naar het stadsdichterschap van Zeeland en de Zuid-Hollandse eilanden. Die blijven echter net wat te vaak in louter beschrijving steken en gaan, omdat ze die extra dimensie missen, toch wat snel vervelen, hoe zorgvuldig ze ook geschreven zijn.

De afdeling ‘Reminiscenties’ brengt wat het belooft, herinneringen. Aan schooltijd, jeugdjaren, vriendschappen en liefdes. Leuk om te lezen, maar qua poëzie is het allemaal wat minder, want soms wel érg persoonlijk of al te veel alleen maar een anekdote. Verreweg het beste is het reüniegedicht, niet in de laatste plaats vanwege de herkenbaarheid voor diegenen die ooit ook het onderwijs in gingen:

REUNIE VAN SCHOOLMEESTERS

Veertig jaar later kruipen we door een slordig gat
in de tijd de school binnen, onheilspellend verenigd

Een aantal van ons door een gelukkige klas
zonder verdoving gefileerd en vroegtijdig afgedankt

Getooid met sleetse bijnamen als Snuf, de Moor,
de Neuker of Pukkel tarten we de verre jaren

Trakteren elkaar op kiekjes van versteende vrouwen,
kleinkinderen, voetbalkantines, lauwe kusten

Slaan een toon aan die moet bemiddelen tussen
jeugdige blindheid en onze geniepige dood.

Een gedicht over herinneringen en de reflectie daarop, knap laverend tussen heden, verleden en toekomst, tussen afscheid, verlies en nederlaag en dat er toch mild ironisch in slaagt het cynisme buiten te sluiten.

In ‘De appelpluk’, de slotafdeling, staan voornamelijk familiegedichten, waarvan de beste die over de vader en de moeder zijn. Een van de uitschieters is het ambivalente ‘Dodemansslaap’, waarin de slotstrofe een schrijnende samenvatting van het hele gedicht geeft:

Kist blank, standaard, zes handgrepen
Bekleed met satijn en altijd oorlog
(Ik mis hem, mis hem alsof hij
nooit mijn vader is geweest)

Ook nu blijft een gedicht een enkele keer steken in het al te particuliere, zoals ‘Ziekenhuisbezoek’, waarmee de bundel besluit. Voor de bundel als geheel geldt echter dat André van der Veeke als dichter recht heeft op een vooraanstaander plaats dan die hij vooralsnog lijkt in te nemen.

***
André van der Veeke (1947), hoofdredacteur van het literaire tijdschrift Ballustrada, debuteerde in 1992 als dichter in de Slibreeks van de Zeeuwse Kunstuitleen met Het sacrament van de sneeuw. Daarna volgden de bundels Reizigers voor alle richtingen (2004), Tekens in het land (2005), Moerasbeest Verdriet (Wagner & Van Santen, 2006), De Zoeaaf (2010) en Rotterdam vertrekt (De Contrabas, 2010)
Blauw als ijs is bij uitgeverij Liverse verschenen als nummer 4 van de onder redactie van Kees Klok staande Bordeauxreeks. Deze ambitieuze, mooi uitgegeven reeks bevat voorlopig verder een bloemlezing met werk van Dordtse dichters (Aanwijzingen voor de schepper), de bundel Vluchtgegevens van Job Degenaar en werk van twee buitenlandse dichters: de Schot John Burnside (Het bal in de inrichting) en de Turkse Cyprioot Mehmet Yashin (De nachtbus).

 

Geplaatst in Recensies.