Klassieker 148: Hans Faverey – Het sneeuwt

door Herbert Mouwen

Meander Klassieker 148

Herbert Mouwen bespreekt ‘Het sneeuwt’ van Hans Faverey.
“Bij elke lezing word ik geboeid door het volgende: het gedicht is opgebouwd uit slechts drie zinnen en wanneer ik het gelezen heb, lijkt alle inhoud eruit verdwenen, is er niets overgebleven. Hoe kan een gedicht zoiets bij de lezer teweegbrengen? En: waar blijf ik als lezer na lezing van Faverey’s gedicht?”

Het sneeuwt

maar het sneeuwt niet meer.
Toen het begon te sneeuwen
ben ik naar het raam gelopen;

heb ik mij verloren gelopen.

In die tijd ongeveer,

vlak voor de sneeuw weer
begon te vallen, grote, steeds
langzamere vlokken in,
moet het opgehouden zijn

ook met sneeuwen.

 

Hans Faverey (1933-1990)

Uit: Verzamelde gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam, 1993

Tussen moment en duur in een gedicht van Hans Faverey

Bij elke lezing van het gedicht ‘Het sneeuwt’ van Hans Faverey uit de bundel Lichtval (1981), oorspronkelijk verschenen in Raster 15 (1980) word ik geboeid door het volgende: het gedicht is opgebouwd uit slechts drie zinnen en wanneer ik het gelezen heb, lijkt alle inhoud eruit verdwenen, is er niets overgebleven. Wel is er mijnerzijds verwondering voor in de plaats gekomen, met twee vragen die me fascineren: hoe kan een gedicht zoiets bij de lezer teweegbrengen? En: waar blijf ik als lezer na lezing van Faverey’s gedicht?

De eerste zin ‘Het sneeuwt maar het sneeuwt niet meer.’ is op twee manieren te interpreteren. ‘Het sneeuwt’ kan de titel van het gedicht zijn, maar ook de eerste versregel die na een regel wit doorloopt in de tweede versregel ‘maar het sneeuwt niet meer’. Ik kies voor de interpretatie van de versregel, omdat ik de gehele zin wil interpreteren; het idee van ‘Het sneeuwt’ als de titel van het gedicht gaat daarmee niet verloren. Kijk maar naar de uiterlijke vorm van het gedicht.

Twee zaken vallen op in de eerste zin: (1) het gebruik van het woord ‘maar’ en (2) de meervoudige betekenis van ‘niet meer’. De zin ‘Het sneeuwt maar het sneeuwt niet meer.’ bevat twee constateringen. Ten eerste de titel of eerste versregel ‘Het sneeuwt…’ in de betekenis van: het is aan het sneeuwen. Het proces van sneeuwen is dus aan de gang; er is sprake van een tijdsduur, niet van een tijdstip. Ten tweede de tweede versregel ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ Deze constatering heeft twee betekenissen: (1) een tijdsaanduiding: het is opgehouden met sneeuwen en (2) in een vergelijkende, kwantitatieve betekenis: er komt geen grotere hoeveelheid sneeuw naar beneden dan… Waarmee de sneeuwval in deze laatste betekenis vergeleken kan worden, staat niet genoemd. Ik laat deze laatste betekenisinterpretatie nu rusten, temeer omdat de dichter ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ afsluit met een punt.

Ik wil het gedicht nu onderzoeken op zijn tijdsaspecten. Het woord ‘maar’ is een nevenschikkend voegwoord dat in dit geval twee constateringen tegenover elkaar zet: ‘Het sneeuwt…’ tegenover ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ Wanneer je uitgaat van de betekenis van de tijdsaanduiding, gebeurt er iets vreemds. Het is net of na het lezen van deze zin het gedicht in één keer afgelopen is. Je constateert dat het sneeuwt – zo je wilt: in de titel of in de eerste versregel – en het is meteen klaar. De dichter heeft zelfs de komma als pauzeteken voor ‘maar’ weggelaten, waarmee de mogelijkheid dat ‘Het sneeuwt’ de titel is open blijft en waarmee hij de doorlopende tijdsduur van een handeling die nauwelijks plaatsvindt, creëert. Hij opent het gedicht en het gedicht ‘klapt’ ogenblikkelijk dicht. De dichter bouwt iets op en breekt het meteen weer af. Deze benadering komt de lezer misschien als bizar over, maar het afbreken van de handeling is een constante in de poëzie van Faverey. De regel wit die tussen de eerste en tweede versregel zit, suggereert ruimte en/of een tijdspanne en roept de vraag op: wat heeft zich tussen ‘Het sneeuwt…’ en ‘… maar het sneeuwt niet meer.’ afgespeeld?

De tweede zin ‘Toen het begon te sneeuwen ben ik naar het raam gelopen; heb ik mij verloren gelopen.’ blikt door het gebruik van de voltooide deelwoorden ‘gelopen’ en ‘(verloren) gelopen’ terug op het moment dat het ging sneeuwen. Dat moet dus in tijd gezien voor de constatering ‘Het sneeuwt’ liggen. Het gedicht dat tot nu toe onpersoonlijk is, presenteert een ‘ik‘ die waarneemt dat het begint te sneeuwen en deze ‘ik’ loopt naar het raam. De puntkomma geeft aan dat de actieve handeling ‘(…) ben ik naar het raam gelopen;’ daarmee ook is afgelopen. Het leesteken puntkomma gebruikt Faverey veel in zijn gedichten als afsluiter of afbreker van de handeling.

De versregel ‘heb ik mij verloren gelopen.’ is samengetrokken in ‘Toen het begon te sneeuwen (…)’, anders gezegd: de versregel kan aan ‘Toen het begon te sneeuwen (…)’ gekoppeld worden. Wat is dat precies: ‘zich verloren lopen’? ‘Verloren lopen’ is ‘ronddwalen, doelloos rondlopen’. Opvallend is hier de toevoeging van het wederkerende ‘mij’. Blijkbaar is de werkwoordelijke uitdrukking voor Faverey ‘zich verloren lopen’. De toepassing van wederkerende voornaamwoorden is kenmerkend voor zijn poëzie vanaf het verschijnen van zijn tweede bundel Gedichten 2.

Na de versregel ‘heb ik mij verloren gelopen.’ lijkt – net als na de eerste zin – ook hier het gedicht te worden afgebroken. We komen niet te weten of de tijdsduur waarin de ‘ik’ naar het raam liep, even lang is als de tijdsduur waarin hij zich verloren heeft gelopen. Bij mij roept ‘zich verloren lopen’ een langere tijdsduur op dan ‘naar het raam lopen’, maar uit het gedicht is het niet exact te halen. Het verschil is voor mij gevoelsmatig. Ik vraag me af of het vaststellen van tijdsduur in het gedicht van enig belang is. Wat is er tot nu toe gebeurd? Het ging sneeuwen, de ‘ik’ is naar het raam gelopen en heeft zich verloren gelopen: een waarneming, een handeling en de constatering dat de handeling een dramatische afloop heeft gekregen.

De derde zin is op zich verrassend, zeker wat de structuur betreft: ‘In die tijd ongeveer, vlak voor de sneeuw weer begon te vallen, grote, steeds langzamere vlokken in, moet het opgehouden zijn ook met sneeuwen.’ De zin is in principe in haar totaliteit ongrammaticaal, maar – optisch verdeeld in zes versregels – tegelijkertijd uitermate poëtisch. De zinsnede ‘grote, steeds langzamere vlokken in’ heeft een ongrammaticale woordvolgorde, die veroorzaakt wordt door de plaatsing van het voorzetsel ‘in’. Tegelijkertijd zorgt deze ongrammaticale woordvolgorde ervoor dat je als lezer gespitst ben op de mogelijke functie en betekenis ervan. Omdat hier een tijdsspanne beschreven wordt tussen twee tijdstippen, namelijk het startpunt vlak voordat het sneeuwen begon en het ophouden ervan, suggereert deze zinsnede een terugdenken in de tijd naar het startpunt ‘vlak voor de sneeuw weer begon te vallen’.

De eerste versregel ‘In die tijd ongeveer’ roept het beeld op van het begin van een lezing uit het evangelie uit mijn kindertijd – toen ik nog wekelijks in de kerk vertoefde – die begon met ‘In die tijd…’, die hier meteen gerelativeerd wordt door de toevoeging van het woord ‘ongeveer’‘In die tijd ongeveer’ is door de ambiguïteit een zeer fascinerende versregel. Deze versregel duidt (1) een tijdstip aan en heeft (2) de betekenis van een tijdsduur, een tijdsverloop. En het woord ‘ongeveer’ breekt de exacte vaststelling ogenblikkelijk weer af en relativeert het precieze tijdsverloop. Het komt als ongeloofwaardig over, maar het is o zo Favereyaans: iets poëticaal opbouwen en meteen weer afbreken of terugnemen. Iets vaststellen of vastleggen is vrijwel uitgesloten. Van de aanloop – dat is de eerste versregel – van deze lange zin, die bestaat uit zes versregels, blijft door de toevoeging van ‘ongeveer’ inhoudelijk in feite niets over. En de zin moet inhoudelijk gezien nog beginnen! Wat betekent dat voor de betekenis van de rest van de zin, die overige vijf versregels ‘… vlak voor de sneeuw weer begon te vallen, grote, steeds langzamere vlokken in, moet het opgehouden zijn ook met sneeuwen.’ die overblijven? De twee laatste versregels ‘moet het opgehouden zijn / ook met sneeuwen’ kun je moeiteloos koppelen aan ‘In die tijd ongeveer’. Daarmee gaat de tussenzin – misschien is binnenzin een beter woord – die bestaat uit drie versregels (‘vlak voor de sneeuw weer / begon te vallen, grote, steeds / langzamere vlokken in’) een contrast vormen met bovengenoemde buitenzin. Inhoudelijk ontstaat er een fascinerende paradox. Ongeveer op een bepaald tijdstip moet het opgehouden zijn. Wat moet opgehouden zijn? Het sneeuwen dat wordt aangeduid met de mededeling dat de sneeuw weer begon te vallen. De ongrammaticale woordvolgorde, met de achterplaatsing van het voorzetsel ‘in’ achter de zelfstandig naamwoordconstructie ‘grote, steeds langzamere vlokken’ suggereert het ophouden, parallel aan een stilzetten van de tijd. Die binnenzin ‘vlak … in’ geeft kracht aan de slotapotheose ‘moet het opgehouden zijn’, maar dan komt er na een interlinie nog ‘ook met sneeuwen’. En het sneeuwen was al opgehouden!? Het houdt ook nog eens op! De paradox mist bij mij zijn uitwerking niet: ik ga het gehele gedicht opnieuw lezen. Ik wil er vat op krijgen, maar dat lukt niet, ik ga ‘rondlezen’, ik blijf lezen en zo blijft het sneeuwen zolang als ik het gedicht lees.

Ten slotte is het nog mogelijk – wanneer het om inbedding gaat – de regels ‘Toen het begon… ook met sneeuwen’ te plaatsen tussen ‘Het sneeuwt’ en ‘maar het sneeuwt niet meer’. Hetzij tussen titel en eerste versregel of in de eerste versregel na de persoonsvorm en het tegenstellend nevenschikkend voegwoord. Wonderbaarlijk!

Van Hans Faverey is bekend dat hij zijn gedichten mooi voordroeg, met gevoel voor het ritme en het melodische. Misschien moet je het gedicht gewoon zo mooi mogelijk lezen en genieten van het klankspel en niet proberen een vinger achter de betekenis van de woorden en de zinnen te krijgen. Dat het gedicht het openingsgedicht was van de reeks Sur place versterkt bij mij het gevoel dat dit gedicht zich afspeelt tussen moment en duur, tussen stilstand en beweging en daarom blijf ik zoeken naar de betekenis, naar een afdoende interpretatie.

Ik heb zeker niet de pretentie een sluitende, afdoende interpretatie te hebben afgeleverd. Integendeel, deze analyse zal ongetwijfeld leiden tot reacties en mogelijke, andere interpretaties. De twee vragen die ik aan het begin van deze analyse aan mezelf stelde, blijven me fascineren. Ik krijg er amper een bevredigend antwoord op.

Hoe kan een gedicht bij de lezer teweegbrengen dat hij denkt of voelt dat alle inhoud na lezing eruit verdwenen is, dat er niets overblijft? Omdat Faverey het in dit gedicht voor elkaar krijgt de tijd stil te zetten? Omdat hij tijdsduur weet te transformeren tot een tijdstip, dat verdwijnt of zo je wilt ‘ophoudt’? Omdat hij als dichter elke werkelijkheid die hij door middel van taal opbouwt ogenblikkelijk weer afbreekt? Het is allemaal mogelijk, maar ik kan niet echt een keuze maken.
Waar blijf ik als lezer na lezing van Faverey’s gedicht? Ik heb de neiging om te zeggen: nergens! (Misschien vinden andere lezers dat, ik gun het ze.) Toch heb ik me tijdens de lezing ervan geïdentificeerd met de ‘ik’ in het gedicht, maar tegelijkertijd ben ik slechts een waarnemer van een gebeurtenis geweest, die je kunt aanduiden met ‘Het sneeuwt’. De ‘ik’ loopt naar het raam en ziet dat het sneeuwt. De belevende ‘ik’ in het gedicht herinnert zich die belevenis en telkens zal de lezende ‘ik’ zich die gebeurtenis opnieuw herinneren, wanneer hij het gedicht leest.

Ik zie uit naar die reacties die een bijdrage leveren aan het beter begrijpen van dit gedicht dat voor mij zo kenmerkend is voor het werk van Faverey en vooral naar andere perspectieven om zijn werk te benaderen.

***

Literatuur

Hans Faverey, Verzamelde gedichten. Amsterdam 1993.
Rein Bloem, Hans Faverey: De verdrijving van woorden in zinnen In: Literair lustrum 2. Een overzicht van vijf jaar Nederlandse literatuur 1966-1971. Amsterdam 1973.
Tom van Deel, Onthechtingsoefeningen. In: De revisor V / 6. Amsterdam 1978.

 

 

Van Fred Stelwagen kwam de volgende reactie:
“Ik mis in het commentaar een paar dingen. Heel belangrijk lijkt mij een witregel in een gedicht dat het over sneeuw heeft. Je zit als dichter natuurlijk altijd met een blanco pagina. Zodra je over sneeuwen gaat schrijven, vul je het wit op en sneeuwt het niet meer. Ik zie hier een contradictie. Ik lees over het probleem van een dichter om met woorden iets duidelijk te maken. Faverey heeft als titel ‘Het sneeuwt’. Dan laat hij sneeuw als het ware zien en zegt: ‘Maar het sneeuwt niet meer’. Het sneeuwt niet meer als je schrijft, want dan ruim je de sneeuw op.

Het gedicht gaat volgens mij over de onmogelijkheid van de dichter om met woorden over te brengen wat er in hem speelt. Er is de contradictie van papier zwart maken met letters terwijl je over sneeuw schrijft. Sneeuw is zichtbaar in een witte regel, maar een witregel heeft geen werkwoord.

Achter Verloren gelopen kun je het woord ‘race’ denken: het is een verloren strijd, een gelopen race. Door het woord race niet te noemen en op te laten komen bij de lezer, probeert hij desondanks het onmogelijke mogelijk te maken. In een race zit ook een begrip van tijd en daar heeft Faverey het ook over: In die tijd ongeveer.”

 

Geplaatst in Klassiekers.