Margreet Schouwenaar – Het wachten bezingen

De (on)toereikendheid van taal

door Joop Leibbrand

Het wachten bezingen van Margreet Schouwenaar is een zorgvuldig opgebouwde bundel. Hij telt 37 gedichten, die zijn ondergebracht in zes afdelingen die alle een intrigerende titel meekregen. Voor de eerste is dat ‘Uitgespaard in overmaat’, een deel dat begint met ‘Geen woord’, een gedicht waarin sprake is van een ik die beweert woorden tekort te komen om bepaalde dingen helder te kunnen uitdrukken. Het is een opvallend begin, want gaandeweg de bundel wordt duidelijk, dat hier juist een dichter aan het woord is die aan woorden helemaal geen gebrek heeft.

Geen woord

Er is geen woord voor missen, hoewel
ik het hoor in de merel die zingt
in de tuin waar jij niet bent. Geen woord
voor het mankeren van de dagelijkse
dingen; het snijden van brood, de zoete
stroop van simpele zinnen. Geen woord
voor de te ontberen belofte
dat er een eeuwig zal zijn. Dat jij
de enige zal zijn, dat ik een woord
vind waarin liefde past als mijn koude
lichaam in jouw winterjas. Je zat
laat op de avond in je stoel en zei
dat het voorbij was en ik vroeg me af
waarom ik geen woorden had, maar stuivend
zand licht als kruim, duin zonder pad.

Ik wist van kindsbeen af dat brood
geen weg bezat. Ver weg hoorde ik
vleugelslagen. Klap na klap. En jij zat.

Dit gedicht is in veel opzichten kenmerkend voor de poëzie die Schouwenaar schrijft. In de eerste plaats treft het royale gebruik van ‘poëtische middelen’. Naast een gevarieerd ritme en de vele herhalingen zijn het met name de enjambementen, alliteraties, assonanties en binnenrijmen, die zorgen voor een harmonieus, fijnzinnig klankpatroon. Heel verzorgd allemaal.
Ook aan de wijze waarop het gedicht zijn inhoud krijgt, is de vaardigheid van Schouwenaar af te lezen. De korte zinnen in relatief eenvoudige taal suggereren een grote mate van helderheid, terwijl toch veel onuitgesproken blijft. Er is sprake van afscheid en verlies, of de vrees daarvoor, maar hoe de jij zich tot de ik verhoudt en wat de aard van hun relatie is, wordt niet duidelijk gemaakt en dat stelt de lezer in staat zelf veel in te vullen. Het verborgene wordt aangeraakt, maar niet in extenso behandeld en dat zorgt voor een verleidelijke verdieping van de betekenis.
Daaraan dragen ook de opbouw van het gedicht, het gekozen perspectief (de ik is zowel betrokken in de handeling van het gedicht als de beschouwer ervan), toon en sfeer (elegisch) en de gebruikte metaforen nadrukkelijk bij.
Het beeld aan het eind van de eerste strofe is treffend: de taal wordt de ik tot los zand, dat haar als het leven zelf door de vingers glijdt en waarin zij richtingloos moet voortploegen.
Het begin van de tweede strofe lijkt te verwijzen naar de gruwelpassage uit Klein Duimpje als de stukjes brood verdwenen blijken, de kinderen definitief verdwaald zijn en het onheil naakt. Vandaar de dreigende vleugelslagen van het naderende noodlot. Een weg terug is er niet, en dat het gedicht eindigt met ‘En jij zat’, maakt dat tot iets definitiefs.

Het er direct op volgende ‘Strijdig’ is veel explicieter persoonlijk, waardoor er van het eerste gedicht als het ware iets wordt afgepakt. Nogal cru begint het met ‘Mijn man is mijn man niet meer.’/ Hij is te ver gegaan. Ik hoor zijn/ woorden niet. Ze komen in een/ enveloppe bij monde van een recht/ dat krompraat wat ons bond.’ De vierde strofe vervolgt daarop met ‘Doe geen moeite, zegt de brief./ Waarheid is een kostelijk goed/ dat je rauw verslinden moet.’ Het slot van de zesde en laatste strofe luidt: […] Niet/ omkijken. Niet wijken. Ik had hem/ lief die mij kippenvel streelde en/ tegen mij lag.’
Het is indringend, het is schrijnend, vooral als je in het gedicht ook nog leest ‘Alles komt tot lust en nijd.’ Je proeft eruit dat Schouwenaar graag eigen sententies formuleert, waarheden met een aforistische kracht.

In de twee gedichten die volgen krijgt ‘verlies’ en veel ruimere invulling en in het slotgedicht van de afdeling, ‘Tot zover’, komt zij tot de acceptatie ervan, ook van het uiteindelijke verlies van zichzelf, omdat verloren gaan een vorm van blijven is: ‘Gereed voor afscheid zal ik/ zijn. Hier en nu. Ik laat mij gaan/ zonder ballast. Geen bedoeling/ dan de weg in buurt, buiten, zand/ en grens uitgelegd. Uitgespaard/ in overmaat zal ik mij, laat ik mij// achter.’

Ook het vervolg van de bundel is de moeite waard. Het minst kon mij de wat apart staande derde bekoren met wat stugge gedichten over legendarische vrouwen: Hadewijch, Hildegard von Bingen, Jeannne d’Arc, Theresia van Lisieux, Magdalena en Rachab. Zulke onderwerpen leiden snel tot maakwerk. Maar de vierde afdeling ‘Staan is meer dan blijven’ is dan weer sterk, ook al omdat Schouwenaar daarin dicht bij huis blijft met gedichten over haar jeugd, het gezin waaruit ze afkomstig is, de moeder, en vooral de vader. Het gedicht ‘Stilte’, te lang om in zijn geheel op te nemen, is zonder meer indrukwekkend. Ik citeer het begin en het eind:

Stilte

Deze stilte vader, is geen stilte
van de winter, geen laatste galm
voor het lentebrood, deze stilte
is de stilte van koude tafels, droge
schotels en verkruimeld licht.

[…]

[…] Je ligt zo waterpas, vader, zo
met stilte geladen. Zo diep in dood. Nooit is iets
buiten verlies. Alles is mond en komt tot zwijgen.
Hier, in stilte droog als hagel, het laatste schot
voltooid, schooi ik verhalen, schamp ik het
woord:

vader.

Haar taal zou ontoereikend zijn om verlies adequaat te verwoorden? Dit gedicht bewijst het tegendeel en de sleutel blijkt te liggen in het zuiveren van de ontroering. Als Schouwenaar persoonlijk schrijft, is zij op haar best. Een geslaagde bundel van een dichteres die wéét wat ze doet.

****
Margreet Schouwenaar (Schagen, 1955) is dichter, kinderboekenschrijfster en docente pedagogiek. Ze is werkzaam als docent aan de Opleiding Leraren Basisonderwijs van Hogeschool Inholland.
In 1991 werd ze genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs op grond van vier gedichten in De Revisor. In 1992 verscheen bij Querido haar eerste bundel: De drempel die vertrek is, waarna bij dezelfde uitgever nog zes bundels volgden. Wegen om te komen was daarvan in 2008 de laatste.
In 2009 volgde zij Joost Zwagerman op als stadsdichter van Alkmaar.
De cursussen in het schrijven van levensverhalen en poëzie die ze al jaren geeft, kregen hun neerslag in een boek met concrete schrijfoefeningen: Woordenregen. 1 jaar schrijven (A3 Boeken, 2011)

Geplaatst in Recensies.