F. Starik – Een steek diep. Schetsen van verloren levens

Kronieken van een onaangekondigde dood

door Joop Leibbrand

Begin 2002 bedacht Bart FM Droog in zijn functie van stadsdichter van Groningen het concept van de ‘eenzame uitvaart’. Hij nam het initiatief om de uitvaart van een anoniem gestorvene op te luisteren met een gedicht, omdat zo zei hij, iedere dode immers een respectvol afscheid verdient.
F. Starik nam het idee al snel over en hij werd in Amsterdam de coördinator van Stichting De eenzame uitvaart, waarbij dichters bij toerbeurt een gedicht voordragen bij de begrafenis van een eenzame dode. Vaak een junk, een zwerver, een verwaarloosde bejaarde, een verloren gelopen illegaal of een verloederde professionele dronkenlap, maar soms ook gewoon een keurig net iemand, die alleen maar totaal, grondig alleen was. Starik doet daarbij zo volledig mogelijk verslag, van het gebeld worden over een nieuwe dode tot het vertrek van de begraafplaats toe, en een enkele keer zelfs nog van iets lang daarna.

Het is gemakkelijk om Starik en zijn dichters te volgen, want via RSS-feeds van de site zit je de Amsterdamse anonieme dood dicht op de huid. Sinds de start staat de teller (per 28 oktober 2011) op 136, wat neerkomt op een gemiddelde van vijftien vergeten doden per jaar.
Het nu volgende is een heel mooi voorbeeld van hoe het er rond zo’n uitvaart aan toe gaat.

Op 7 oktober 2011 schreef ‘noreply blogger (uw Starik)’ op de site van De eenzame uitvaart onder het kopje EENZAME UITVAART NUMMER 135:
“Zul je altijd zien. Twee dagen voor de presentatie van Een steek diep belt Ali Mahmood met een melding voor de ochtend na de boekvoorstelling, zoals ze dat in België noemen.
‘Een onbekende man, op zaterdag 10 september aangetroffen door de politie. Hij heeft zich verhangen aan een boom in een bosschage in de kruising Basis- Seine-, Rhôneweg.’
Mahmood somt wat uiterlijke kenmerken op: ‘Honderdtachtig centimeter, zwartgrijs haar, oogkleur onbekend. Geboortedatum onbekend. Hij wordt begraven op St Barbara, op vrijdag 7 oktober om negen uur dertig.’ Negen uur dertig, dat betekent om negen uur mijn huis verlaten. Dat betekent: niet tot diep in de nacht in de kroeg blijven hangen om de verschijning van dat boek te vieren.
Ik vraag om meer informatie. Er is een halfcirkelvormig litteken op zijn buik gevonden, waarschijnlijk als gevolg van een zware operatie. Hij droeg een zilveren ketting met een zilveren kruis eraan. […]
Ik bel Anneke Brassinga en lees haar mijn vers verworven kennis voor. Terwijl we aan de lijn zijn, google ik wat er naar buiten is gebracht, vind een foto van een paspop die zijn kleren draagt, en ook zijn schoenen. Ik omschrijf wat ik zie, wat ik lees. Het politiebericht bevat vrijwel dezelfde informatie als het ambtsbericht. Anneke betoont zich aangeslagen. ‘O God,’ zegt ze, ‘ocharme’. Ze zegt dat ze erheen zal fietsen, dat ze de plek wil zien.

Vrijdagochtend. Het is gelukt de nazit in de kroeg te vermijden. Het houdt bovendien precies op tijd op met regenen. Ik kan mooi droog naar St Barbara fietsen. […]
Dan voegt ook Anneke Brassinga zich bij ons. Ze heeft nieuw haar, veel korter dan ik mij herinner. Staat haar goed. Fris, zou je kunnen zeggen. Ze vertelt dat ze onder haar knipbeurt samen met de kapper naar ‘Ascenseur pour l’échafaud’ heeft gekeken. De lift naar het schavot, je moet er niet iets anders naast willen doen. Dan komt ook de uitvaartleidster met haar trainee aanwandelen. Een kleine, gezette dame, naast een Schoevers-achtige schoonheid. […]
Om half tien gaan we naar binnen. De overledene werd pas kort tevoren gebracht, we gaan rechtstreeks achter de moeizaam manoeuvrerende nieuwe baar aan de aula in.[…] We nemen plaats. ‘Herfst’ van Vivaldi, het adagio daaruit, eindelijk eens het juiste gedeelte. Die trage bas. De zwevende violen, de tegenmelodie, heel modern klinkt het, eeuwenoude popmuziek. Dan komt Anneke naar voren en leest haar gedicht voor. Ze is mooi aangekleed, geheel in glanzend zwart, dat haar tengere verschijning iets elegants verleent, alsof ze eigenlijk van adel is. Eerder was de fraaie snit van haar lange zwarte mantel al opgevallen. Duidelijk. Van een edeler soort. Ook haar stem zou je aristocratisch kunnen noemen: de zorgvuldige dictie, het uitgesproken geluid, hoe zeg je dat netjes.”

Als Brassinga haar gedicht ‘Onland’ heeft voorgelezen, dat begint met ‘Ik ben de plek gaan zien waar ze je vonden./ Een flard politielint hangt er nog aan een tak’ en eindigt met ‘En wij hier kunnen alleen maar vol schaamte/ wensen dat jij, wie je ook bent, zacht/ zult rusten in de armen van ons aller aarde’, vervolgt Starik:

“Mevrouw Brassinga buigt voor de kist, neemt weer plaats. We luisteren naar het tweede en derde muziekstuk uit de categorie licht-klassiek. ‘Liebestraum’ van Liszt, denk ik, en nog iets. Het glijdt van je af als stond je in een lift. We wandelen naar het graf. […] Daar staan we en we nemen een moment van stilte in acht. Dan zakt de kist en wordt het schepje zand geworpen, het schepje dat nu definitief het omslag van mijn boek siert, precies dat schepje, mooi schepje, lief schepje.”

Vier alinea’s verder, waarin Starik uitweidt over het kapsel van Brassinga en een van de uitvaartleiders allerlei begrafenisanekdotes opdist, besluit hij met “ik mag niet zulke abstracte verslagen schrijven, vind ik zelf. Ik hoef echt niet meteen aan een nieuw boek te beginnen. Dat gaat vanzelf.”

Behandelde Starik in een eerder boek al de uitvaarten 1 tot en met 35, nu koos hij voor een selectie van 37 uitvaarten uit de bijna honderd die erop volgden. Het is gek genoeg geen zware kost, ook niet als je ze allemaal achter elkaar leest.
Iedere nieuwe dode heeft weer een ander levens- en overlijdensverhaal, we komen op diverse begraafplaatsen (Sint Barbara van de oude heer Degenkamp is favoriet, maar we gaan ook naar De Nieuwe Ooster, Vredenhof, Westgaarde en Buitenveldert), we leren de mensen van ‘De Dienst’ kennen (een kleine onderafdeling van de sociale dienst voor rampen, uitvaarten en pensionbeheer), zoals meneer Van Bokhoven en meneer Mahmood, die vanuit het Iraakse Koerdistan hier dit werk vond, diverse uitvaartleiders, de dragers, tot de koffieschenkers aan toe. Een opvallende plaats neemt nog de muziekkeuze in. Van klassiek tot modern komt er een breed scala aan gepaste afscheidsmuziek voorbij.

Uiteindelijk is alle dood in dit boek een vehikel voor de dichters. Zestien zijn het er, waarbij gezegd moet worden dat Tonnus Oosterhoff hier een dichter is zonder gedicht, want hij trok het voor dit boek terug. Starik zelf staat er tien keer in, Eva Gerlach vijf keer en van haar is ook het mooie gedicht dat het boek opent:

Vergezeld

Waarheid, meneer, wat moeten we daarmee.
Te pijnlijk om te willen zien. Bent u
het zelf wel, die hier naast mij ligt. Uw kist
draagt van een lichaam het gewicht, maar wie

garandeert welk, en wat heeft het aan mij
die woorden op u legt. Ik maak u zwaarder
met mijn op x gerichte medelijden.
Een factor aangetast als uw gezicht.

Over u ging het deksel dicht. Mocht ik
uw restje mond gebruiken, ik vertelde

ons hier bijeen de waarheid. Hoeren van de
rottige dood, die iedereen omhelst.

De kauwen op Sint Barbara zeilen boven
wat vaststaat, het verteren van uw vel.

Alle gedichten zijn natuurlijk puur maakwerk, in korte tijd, vaak binnen twee of drie dagen geschreven, maar ze hebben zonder uitzondering een heel speciale intensiteit. Behalve die van Starik zelf, vallen ook de gedichten van Anneke Brassinga, Neeltje Maria Min en Catharina Blaauwendraad op.
Adriaan Jaeggi, aan wie het boek is opgedragen, deed op 24 december 2007 uitvaart 85. Starik zet in zijn verslag: “Jaeggi vertelt dat hij echt moe is de laatste tijd. Vermoeider dan eigenlijk nodig is, zeg maar. Hij zal misschien eens naar de dokter moeten, vindt hij zelf.” Starik memoreert het in zijn nawoord, en hij eindigt: “Een half jaar later was hij dood.” Daarmee wordt ‘dood’ meteen het laatste woord van het boek.

Hopelijk is het project nog een lang leven beschoren en kan Starik in zijn wat onderkoelde, gereserveerde maar altijd eerbiedige stijl verslag blijven doen. Want de doden zullen er zijn, dat is wel zeker.

*****
F. Starik (pseudoniem van Frank von der Mohlen, Apeldoorn 1958) is schrijver, dichter, zanger en kunstenaar. Hij studeerde aan Rietveld Academie en Rijksacademie, fotografie en mixed media. Als dichter debuteerde hij na een bundel in eigen beheer met Nepvuur (1987). Daarna volgden Nieuwe Vleugel (1995), Simpele Ziel (2002), De grote vakantie (2003), Rode Vlam (2004), De Verdwijnkunstenaar (2004), Songloed (2007) en Victoria (2010). Zijn start als prozaschrijver was met de briefroman Mijn Leven Als Museum (1983). In 2009 verscheen de roman De gastspeler. De voorganger van Een steek diep was het eveneens bij Nieuw Amsterdam verschenen De eenzame uitvaart. Hoe dichters eenzame doden op hun laatste tocht vergezellen. (2005).
Hij ontving in 2009 de Amsterdamprijs voor de Kunst voor zijn gehele oeuvre. Van 2010 tot 2012 is hij de stadsdichter van Amsterdam.

 

Geplaatst in Recensies.