Bernlef & Hans Tentije – In omgekeerde richting

Te zijn waar je bent is een illusie

door Joop Leibbrand

Van het gelegenheidsduo Bernlef & Tentije verscheen in het voorjaar van 2011 bij Atalanta Pers te Baarn de bundel Zeegang. In omgekeerde richting. Voor iets minder dan een kwart van de prijs van die bibliofiele editie geeft De Harmonie de gedichten nu uit onder een titel waarin het woord ‘Zeegang’ ontbreekt. Waarom de auteurs besloten het te schrappen wordt niet verantwoord, zoals trouwens toch iedere informatie over dit bijzondere samenwerkingsprodukt ontbreekt. Wiens idee de dichterlijke correspondentie was, of er een min of meer concreet plan aan ten grondslag lag, er misschien sprake was van een bepaalde afgesproken rolverdeling, welke periode de gedichten bestrijken, of de bundelvolgorde ook de schrijfvolgorde was en meer van zulke vragen die bij een geïnteresseerde lezer toch al gauw zullen opkomen, blijven door het ontbreken van een toelichting op de uitgave onbeantwoord. De gedichten zullen het dus zelf moeten doen, en dat is ongetwijfeld een bewuste keuze geweest. Wie wil ‘reconstrueren’, zal zich moeten ingraven.

De bundel bevat 28 gedichten, waarvan Tentije er 13 schreef (hij opent en besluit) en Bernlef 15. Ze schrijven, zoals dat in een tekstuitwisseling nu eenmaal gaat, voornamelijk om en om, maar drie keer volgen twee gedichten van Bernlef elkaar op, een keer gebeurt dat bij Tentije. Alleen in de inhoudsopgave wordt aangegeven wie wat schreef, dus wie zelf telkens wil proberen vast te stellen of hij te maken heeft met een Bernlef of een Tentije, kan dat vrij doen. Dat is in sommige gevallen trouwens nog lastiger dan je op voorhand zou denken. Er staan een paar gedichten in waarin ze stilistisch naar elkaar lijken te zijn toegegroeid.

De opening is met zijn melancholieke patina, sterke, gedragen ritmiek en situering in het Noord-Hollands kustgebied – het strand en de geestgronden! – echter onmiskenbaar Tentije. Dit zijn de drie eerste strofen van ‘Vandaag’:

De luwte meestal schuwend klampen zeewinden je hier aan
en verrafelen de nog gehesen vlaggen, de dundoeken van een haast
weer voorbij, kortstondig zomerseizoen

tussen wat achter de branding oplicht en de terpentijngeurige
dennenbossen en verspreide landjes in de geest slaat het zout neer en vreet
aan chroom, antennes, testbeelden en het stramien
van herinnering en tijd

er bestaan geen sluipwegen naar het verleden en toch
kan het gebeuren dat je wordt teruggedreven naar sommige vroegere
achteroms, duinpaden, veranda’s

De toon is hiermee gezet, de richting bepaald. ‘te zijn waar je bent is een illusie’ heet het aan het begin van de vijfde strofe (Bernlef zal er later in de bundel op terugkomen) en in de strofe daarop: ‘het onsterfelijke schuilt in de vluchtigste momenten’. Dit zal gaan over wezenlijke zaken, over herinnering en tijd, over (on)vergankelijkheid, (on)sterfelijkheid, zijn en niet-zijn, bestaan en voortbestaan.
Bernlef pakt het in zijn eerste gedicht direct op door aan het begin eerst de gehele vijfde strofe van ‘Vandaag’ te citeren:

‘het onsterfelijke schuilt in de vluchtigste momenten, in de avondlijke glans
van dierbare of onbeduidende dingen, zorgvuldig
bewaard, wrevelig aan de kant geschoven, door het toeval
lukraak gerangschikt’

En hij legt uit: ‘het vervliegende, het vluchtige, dat betekent/ dat hier nog steeds iets gaande is/ voorgoed bewaard en tegelijkertijd opgeheven’. Hij wil, zegt hij, op zoek gaan naar ‘het voorbije in het huidige’:

in de vensterbank verlicht een kapotte tl-buis
een tafel vol dingen waarover ik een doek gooi
ik probeer mij hen te binnen te brengen zoals zij zijn, zoals zij waren
geregeerd door een steeds van richting wisselende wind.

Ken je de ‘dingen’ in hun ware aard, dan roep je daarmee ook het verleden op, dat van je jeugd en kindertijd, sterk verbonden met een zelfonderzoek dat Tentije aldus verwoordt: ‘[…] later ontdekte je dat wat je beleefde/ niet alleen maar van buitenaf kwam en wat je je ‘ik’/ had leren noemen een duister fluïdum, tegelijk zee en tegenzee was/ vol muien en onderstromen’.

Het ‘tat vwam asi’ (dat ben jij) is voor beiden een van de belangrijkste motieven, waarbij Bernlef, vaak wat ‘kaler’ en directer dan Tentije, de meest illusieloze is. In ‘Voorgeboorte’ ziet hij zichzelf aan het strand staan, ‘als een zwaaiende dirigent/ wanhopig graaiend naar een melodie’. Hij houdt zichzelf, vriend Hans en ons voor:

Geen idee hebben, daar begint het mee. Heimwee
dat mij als zeenevel omhult zonder dat ik weet heb, zonder
dat ik er woorden voor vind, zoals de meeuw
die thermiek in vleugelslagen zichtbaar maakt.

Blijf achter, met beide benen in het grondsop, rangschik het zwerfvuil
door toeval hier aangespoeld maar zonder het te benoemen;
omzeil iedere aanspoelende betekenis
en je zult vinden wat je dacht voorgoed verloren te zijn:

je aanwezigheid voor je er was.

Blanco zijn, je vanuit het niets openstellen en daarvoor de woorden vinden die je krijgt aangereikt, zo ongeveer lijkt Bernlef hier het dichterschap te zien en bij uitbreiding het hele leven en Tentije stemt ermee in.
Prachtige gedichten wisselen elkaar in deze bundel af, die van Tentije vaak iets exuberanter, al bieden de twee tegen elkaar op in taligheid. Hoe mooi is Nederlands dat de ruimte krijgt! En hoe mooi is de Noord-Hollandse kust!

Tot de geslaagdste gedichten behoren de gedichten met jeugdherinneringen van beiden, het eerbetoon aan Hokusai van Bernlef en dat van Tentije aan Dylan Thomas, wiens gebod Do not go gentle into that good night dan weer door Bernlef centraal wordt gesteld.
De twee slotgedichten zorgen voor een afsluiting in stijl. Bernlef is, met knarsende schelpen onder zijn schoenen, ‘de neuriënde strandwandelaar die alle hoop laat varen.’ Er zit muziek in zijn kop van Billie Holiday en Lester Young, You’re too lovely to last; I’m pulling through/ The same old story, het verhaal ‘van eeuwige liefde en/ altijd weer in de steek gelaten worden’.
Tentije geeft zijn antwoord tegen het decor van het najaarsstrand waar de zee tekeergaat en ‘de onverbrekelijke kringloop/ van verdamping, windrichting, neerslag’ zichtbaar is: I didn’t know what time it was… en zo heeft weemoed het laatste woord.

Een duobundel kan al snel wat artificieels hebben, zeker als de auteurs niet in alle opzichten gelijkwaardig zijn. Voor deze bundel van Bernlef en Tentije geldt dat ze elkaar in alle opzichten versterken. Ik heb eindelijk weer eens volop van een poëziebundel genoten.

***
Bernlef (1937, pseudoniem voor Hendrik Marsman) debuteerde in 1960 met de bundel Kokkels. Hij is de auteur van een gigantisch oeuvre: ruim twintig bundels poëzie, een overvloed aan romans, novellen, verhalenbundels, essays en toneel.
Hans Tentije (1944, pseudoniem voor Hans Krämer) debuteerde in 1975 met de bundel Alles ligt er. Hij schreef in totaal dertien bundels en één roman.

 

Geplaatst in Recensies.