Peter WJ Brouwer – Landdieren

De lezer betrapt

door Ivan Sacharov

Ik had nog nooit van Peter WJ Brouwer gehoord, voor ik zijn debuutbundel Landdieren onder ogen kreeg. Een eenvoudig ogend boekje, op het eerste gezicht: geen foto’s die het omslag aan de buitenkant opsieren, enkel de naam van de dichter en de titel, op een gebroken wit dat heel goed past bij een nog niet ingevulde verwachting:

Landdieren

Alle begin was moeilijk.
Nauwelijks ontsnapt in
een vlucht nergens heen

de ogen nog warm,
mezelf verdwaald.

Geen vogel met jou te mogen zijn
maar zwaar, zo zwaar aan de grond
zullen we landdieren zijn gebleken,
stram en schuw in onze huizen

hunkerend naar een plek
waar bakens zonder licht zijn.

Hoor je de merels?
laten we ongedwongen zijn.

Klassiek: het eerste gedicht van de bundel gaat meteen in op de bundeltitel. Alle begin was moeilijk, schrijft de dichter fijntjes. En inderdaad, het lijkt of hij er een beetje moeite mee had om op gang te komen: ‘zullen we landdieren zijn gebleken’ lijkt me toch een wat omslachtige manier om de tegenstelling tussen de vrij(blijvend)heid van vogels en de beperkingen van landdieren weer te geven. ‘Het’ is er wel, maar komt niet helemaal goed uit de verf, waar de noodzaak van een dergelijke formulering niet direct duidelijk is of ontbreekt. Er zit ook iets tweeslachtigs in het woordje ‘vlucht’ in de eerste strofe wat me niet helemaal lekker zit: aan de ene kant het verband met ‘ontsnapt’ en verderop met ‘schuw’; aan de andere kant juist het verlangen van de dichter naar die vlucht, naar de ongedwongen lichtheid van het vogel zijn. Dat botst een beetje: een vlucht uit angst kan nooit ongedwongen zijn.
Maar goed, men moet een eersteling niet te streng vallen. Mooi vind ik wel dat de samenhang van de woorden in het gedicht groter is dan die bij een eerste, oppervlakkige lezing lijkt. De losse strofebouw is wat misleidend, wat dat betreft. Net als de soms wat bedaard romantische toon van deze poëzie dat misschien is voor het begrip ervan:

Mensenwerk

In tijden van stilte
lees ik veel van hetzelfde.
De verte lonkt, maar wordt
aldoor leger.

Er verschiet geen ster.

En al geurt de lavendel nog
gevaarlijk diep tot ver in de nacht,
de verraders en de verradenen

bestaan niet meer.

Ik lees al jaren mijn brief aan jou,
de woorden afgetuigd en kaal

een godvergeten oord
waar eentalige mannen dagelijks
ziel en bruid onder hun arm
torsen.

Ik steek de woorden aan
en houd ze fel op
tegen de dove nacht.

Dan luister en verbeeld ik
achter mij jouw stem alsnog,
ergens, misschien ter hoogte van
een schouder

die mij
alles vergeeft.
Dat is wel veel

maar
het was ook allemaal
mensenwerk.

Ook deze tekst is een iets gecompliceerdere aangelegenheid dan een eerste lezing zou kunnen doen bevroeden. Een ars poëtica? Het jarenlange lezen van de dichter van zijn eigen brief heeft behalve iets wanhopigs ook iets geks. Alsof hij niet alleen verbeeldt achter zich de stem van zijn geliefde, maar ook die van zijn lezers te horen. Ook dichten blijft tenslotte mensenwerk. En eenzaam werk voor datzelfde geld: een dichter kan heel goed worden gezien als een ‘eentalig mens’, een mens alleen met zijn eigen taal. Niemand die een weerwoord geeft, en voor een ‘tweede taal’ zorgt tijdens het dichten. Het aansteken van woorden is en blijft een solistische aangelegenheid.

Aan de andere kant: voor de juiste verstaander is eentaligheid natuurlijk een zegen. Zo kan de dichter met zijn – altijd veraf bestaande – ideale lezer (die al zijn onvervalste trekken kent) een nog intiemer contact opbouwen dan met zijn vrienden:

Fantoom

Met vrienden in een tuin gezeten
het glas geheven en een dronk gebracht,
maar op wie? Kennen ze van mij

die ze zo goed schijnen te kennen
elke onvervalste trek?
Is er een die achter mijn stem leerde zien,

die weet waar jij naar binnen reikt en
zonder honger of slaap

de gebroken muren opricht,
weer lente wordt en voor een spiegel
nog je haren kamt?

Wie wil in andermans pijn
het fantoom leren kennen?

We sluiten de zomer
vieren het fruit
en heffen luid het glas
omwille van naasten

om een ruggengraat te rechten
het kadaver te genezen
wat gezegd is niet meer te zeggen.

Zo worden we
bijgeschreven.

Een min of meer retorische vraag zoals die in de vijfde strofe wordt gesteld, kan in deze poëzie gemakkelijk omslaan in echte nieuwsgierigheid. Knibbel knabbel knuistje, wie knabbelt aan mijn huisje? Een lezer voelt zich bijna betrapt…

Maar hij hoeft zich niet lang zo te voelen: ‘We sluiten de zomer’, zegt de dichter in de zesde strofe. Door dat woordje ‘we’ horen we als lezer gelijk bij het gezelschap van de vrienden van de dichter, en lijkt ‘het sluiten van de zomer’ haast nog meer op een metafoor voor het naderen van de herfst van het leven. Als dat zo is kan de volgende regel ‘vieren het fruit’ misschien nog het beste als een zinspeling op onze nakomelingen worden gelezen. We heffen luid het glas (dat wordt gedronken zoals een gedicht wordt gelezen) omwille van naasten en rechten een ruggengraat om ons groot te houden tegenover de naderende ouderdom. Kostelijk is de regel die daarop volgt: ‘het kadaver te genezen’. Alsof dat mogelijk is! En wat een ironie om ons lichaam al bij leven als een kadaver op te vatten. Fraaie beeldspraak in een poëziebundel, waarin de gedichten over het geheel genomen wel wat op elkaar lijken, maar zeker genoeg diepte en gelaagdheid bezitten om te blijven boeien en verwachtingen voor een volgende bundel te wekken (waarvan het omslag vermoedelijk een plaatje heeft).

***
Peter WJ Brouwer (Eindhoven, 1965) studeerde Duitse Taal- en Letterkunde en is vertaler en schrijver. Hij publiceerde in Het Liegend Konijn, Poëziekrant, Krakatau, Meander, Tzum en op Contrabas.

Geplaatst in Recensies.