Jana Beranová: Bedankt, Rotterdam

Onlangs verscheen bij uitgeverij De Geus Werkboek, een bloemlezing van de beste gedichten van Jana Beranová. Sander de Vaan had een mailgesprek met haar over dit boek en haar werk voor Amnesty International.

De titel van je verzamelbundel wekt de suggestie dat je er lang aan hebt gewerkt. Klopt dat?
De titel snijdt aan twee kanten. Ik wilde geen verzamelwerk maken van mijn reeds verschenen bundels, maar een leesboek. Een poëzieleesboek zonder chronologische volgorde, zodat er een nieuw boek zou ontstaan. Ik wilde oude en recente gedichten onverwachte verbanden laten aangaan. Werkboek bevat ook veel nieuw werk. Natuurlijk zijn er cycli die intact zijn gebleven, maar voor het grootste deel zijn het hoofdstukjes waarin de ene tekst organisch uit het andere volgt. Het is dus ook geen strikt thematische samenstelling. Sommige thema’s komen een paar keer terug.
De lezer moet eveneens aan het werk; hij of zij moet al lezende de verbanden ontdekken of andere zelf leggen. Ik geef bewust geen aantekeningen, geen jaartallen, geen handleiding, behalve een enkele keer bij of in de titel. Zo kan ook de lezer die mijn werk kent plezier aan Werkboek beleven, dat hoop ik althans. Want niet alleen het gedicht moet iets verrassends in zich hebben, maar het hele boek. Door deze werkwijze ontstaat mijns inziens ook iets ongrijpbaars, en dat kan bij poëzie geen kwaad.

Misschien een domme vraag, maar omdat je een Tsjechische Nederlandse (of viceversa) bent: dicht je meteen in het Nederlands, of is er eerst nog een soort Tsjechische ‘oerversie’, al was het maar in je hoofd?
Dat is heel verschillend. Meestal dicht ik direct in het Nederlands. Dat hoor ik immers dagelijks om me heen. Maar soms hangt het af van het onderwerp dat aan het gedicht ten grondslag ligt. Dan ruist er nog altijd mijn moedertaal door mijn hoofd, al was het in de klank en de verbeelding. Laat ik zeggen, dat ik een handvol gedichten in twee versies heb. Misschien kom ik ooit zover om een bundel in het Tsjechisch te publiceren.

Hoe ontstaat bij jou doorgaans een gedicht?
Soms met één of twee regels die opeens in je achterhoofd opdoemen. De aanleiding kan wat dan ook zijn, iets wat je ziet, hoort, leest. Soms dient een beeld zich aan, alleen als beeld waar je nog woorden voor moet vinden.
Ik werk tamelijk veel in opdracht, en ik doe dat heel graag, omdat je zo een gedicht schrijft dat je anders misschien nooit geschreven zou hebben. Het is best lastig, ook de spanning: lukt het of lukt het niet. Het is een soort tuigje dat je jezelf vrijwillig aanmeet. Je moet dan gewoon gaan zitten en doen. De spanning maakt het juist boeiend, denk ik.
Heel onlangs kreeg ik het verzoek om mee te werken aan een boek over Erasmus, Desiderius Erasmus van Rotterdam, gemaakt door een beeldend kunstenaar die een soort metamorfose-portretten van hem heeft gemaakt. Tja, daar sta je dan. Er is al zoveel over Erasmus en zijn Lof der Zotheid geschreven. Ik hoorde ‘s morgens op de radio dat treinen tussen Breda en Roosendaal waren vertraagd wegens koperdiefstal. Dat is in Nederland vandaag de dag echt een probleem.
Het bericht was voor mij de spreekwoordelijke bliksemschicht. Het beeld van de lezende Erasmus voor de Rotterdamse Laurenskerk was jaren geleden namelijk uit het niets ‘gevallen’.
Aldus ontstond het gedicht ‘Koperdieven’, dat ik intussen heb doorgestuurd voor het genoemde project.

Koperdieven

je slaat een bladzijde om
letters verpakt in verlichte woorden
het waren verre, eindeloze reizen
op bezwete paarden de billen vol zweren

je slaat een bladzijde om
gegeselde lijven zijn niet te benijden
maar je gedachten zijn flinke bomen
je moet kunnen gaan en toch blijven

je slaat een bladzijde om
niks
alleen de mens die de mens een wolf is

en omdat je getuige bent, een vat vol feiten
trek je macht, na-ijver en eigenliefde
de kleren van het lijf, de valse wimpers
pluk je het kaf uit het koren

je slaat een bladzijde om

een dief in de nacht trekt je omver
het boek scheurt, de zottin schatert:

Ik zou je opnieuw willen scheppen
maar alle koper is gestolen

Jana Beranová
*op 22 november 1996 is het beeld van Erasmus
voor de Laurenskerk in Rotterdam ‘geval
len’

Je bent ook heel actief voor Amnesty International. Engagement en dichtkunst – hoe valt dat voor jou te rijmen?
Een gedicht is een gedicht, of het over een weitje met madeliefjes gaat of over een moedwillig vertrapt madeliefje. Aan pamfletwerk doe ik niet. Aan jou te beoordelen of ik erin geslaagd ben – in mijn Werkboek prijkt een hoofdstukje maatschappij-betrokken gedichten onder het motto ‘Vogels vliegen vrij/ waarom dan/ gekleurde vogels/ vogelvrij?’

Voorts kan ik je verzekeren, dat ik meer pijlen op mijn boog heb. Naast schrijven hou ik me intens bezig met het voordragen, het presenteren van poëzie. Mijn meest recente activiteit voor het jubileum ‘Amnesty 50 jaar’ waren concerten door het Ensemble Caméléon met poëzievoordracht door mezelf in Nederlandse musea (Boijmans, Kröller Müller, Van Abbe en Groningermuseum).

Kort vóór ons vorige interview, vijf jaar geleden, bezocht je voor de internationale schrijversbond PEN een proces tegen een Turkse auteur. Hoe is de situatie aldaar voor schrijvers, anno 2011?
Als bestuurslid van de PEN werkte ik voor het Writers in Prison Committee. Omdat ik de Turkse auteur-uitgever Ragip Zarakolu in mijn portefeuille had, bleef ik die taak nog een paar jaar daarna vervullen. Zarakolu werd na 35 rechtszittingen en andere perikelen vrijgesproken. Die taak leek dus volbracht, maar helaas gaat het in Turkije nog altijd even slecht. Ragip Zarakolu is opnieuw gearresteerd en zit nu in voorarrest – beschuldigd van contacten met terroristische organisaties – in het strengst bewaakte cachot. Ook zijn zoon zit in de bak, ergens anders. Dat doet me veel pijn.

Op persoonlijke titel heb ik een paar jaar terug nog deelgenomen aan de conferentie Freedom of Expression in Istanbul. Vrijheid van meningsuiting is nog lang niet wat de klok luidt, maar er zijn nieuwe mensen die het Writers in Prison Committee nu runnen. En ik werd de laatste twee jaar behoorlijk in beslag genomen door mijn stadsdichterschap. Dat was heel intens. Ik heb geprobeerd zoveel mogelijk poëzie in de stad te brengen, deed aan alles mee, in alle wijken.

Je bent ‘wereldberoemd’ in Nederland vanwege een kort gedicht dat op talloze posters van Amnesty is gedrukt: ‘als niemand/ luistert/ naar niemand/ vallen er doden/ in plaats van/ woorden’. Heb je nog meer van dit soort kernachtige teksten geschreven die naar jouw gevoel dit gedicht naar de kroon zouden kunnen steken?
Een goed alternatief is denk ik: ‘wie een brug legt/ naar een ander/ kan altijd heen/ en terug’. Deze tekst heeft in 2010 een halfjaar aan weerszijden van een tram gereden over de Erasmusbrug tussen Noord en Zuid van Rotterdam. Dat vond ik fantastisch. En onlangs is het gedicht uit steen gehouwen geplaatst in het water bij een nieuw bruggetje in het Spinozapark. Het is door een landbouwarchitect heel mooi ontworpen. En dat blijft. Ik voel me vereerd. Bedankt, Rotterdam.

Jana Beranová: Werkboek (Bloemlezing 1983-2010) .
De Geus. ISBN: 978-90-445-1734-7

Geplaatst in Interviews.