Poëzie als een excuus

Vincent van Meenen (1989) studeert Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij publiceerde onder meer poëzie op de website van de Contrabas. Recent won hij een poetry slam tijdens het Kunstenfestival Watou, wat hem de titel ‘Gevonden Dichter van 2011’ opleverde. Daarnaast is Vincent van Meenen redacteur van Karkas.

Over vaders en moeders zijn al veel gedichten geschreven. Wat wilde je met het vierluik ‘Moeder Vader’ aan dit onderwerp toevoegen?
Ik wilde niet zozeer iets toevoegen. Literatuur leeft van herschepping. Verhalen zijn zo oud als de wereld. Een citaat dat ik bij het schrijven vaak voor ogen houd is het volgende:
– The physicist Leo Szilard once announced to his friend Hans Bethe that he was thinking of keeping a diary: ‘I don’t intend to publish. I am merely going to record the facts for the information of God.’‘Don’t you think God knows the facts?’ Bethe asked. ‘Yes,’said Szilard. ‘He knows the facts, but he does not know this version of the facts.’
(Hans Christian von Baeyer, Taming the atom)

Vond je inspiratie bij andere dichters voor dit thema, of meer algemeen voor je poëzie?
Ik heb voor ‘Moeder Vader’ heel veel gehad aan de dagboeken van Leonard Nolens. Hij beschrijft in een van de dagboeken hoe hij zijn moeder bezoekt. Die passage heeft grote indruk op mij gemaakt. Er is een tijd geweest dat ik alleen maar zijn dagboeken las. Op een avond in die periode kwam hij plots café Hypothalamus in Antwerpen binnengewandeld. Ik was daar met enkele vrienden en verslikte me. Ik had het gevoel zo dicht bij die man op de huid te zitten dat ik hem niet eens durfde aanspreken, terwijl er zoveel was dat ik hem had kunnen vragen. Ik vond het al behoorlijk hoogmoedig dat ik mijn pint naar hem ophief. Hij heeft maar één biertje gedronken vooraleer hij de taxi naar huis nam, en heeft tegen niemand gesproken. Ik was er de rest van de avond niet goed van.
Voor mijn poëzie vind ik voornamelijk inspiratie in mijn verbeeldingswereld. Naar andere dichters kijk ik vanuit technisch oogpunt. Ik wil hun structuren en vormen begrijpen, zodat ik mijn eigen vorm kan vinden. Ik ben jong, mijn verbeeldingswereld is vaak frisser en sprankelender dan die van oudere dichters: iets wat natuurlijk ruimschoots gecompenseerd wordt door hun metier en vakmanschap. Daar steek ik veel van op.

De ‘ik’ in ‘Moeder Vade’ lijkt thuis bij zijn ouders, maar je laat hem daar verdwalen. Het tweede deel is somber, met ‘huid als leer’ en enkele gewelddadige beelden. Wat was de reden dat je daar deze bevreemdende sfeer voor koos?
Bevreemding is een begrip dat me moeilijk loslaat in een sociale context. Vaak voel ik mij ‘de vreemde’ in gezelschap. Een gevoel dat weerklank vindt bij onze generatie. Een voorbeeld: het valt me op hoe op bedrijfsuitjes de sfeer aan het begin van de dag opvallend stijf en deftig is, terwijl naarmate de dag vordert en er meer gedronken wordt, het vreemde verdwijnt en plaatsmaakt voor een sfeer van gemoedelijkheid en rust. Ik houd niet zo van die rust. De bob in het gezelschap zit er op zo’n moment vaak een beetje vervreemd bij. Alsof die als enige nog over een ruimer kader beschikt. Zoiets moet poëzie ook doen, denk ik.
Ik koos voor die gewelddadige sfeer in het tweede gedicht omdat een breuk met geweld duidt op een emotioneel moeilijk afscheid. Geweld maakt het vaak gemakkelijker om met iets te breken. Een onverschillig afscheid is misschien wel het pijnlijkste wat er is. Zoiets was voor deze gedichten niet mogelijk. Daarvoor heb ik mijn ouders te lief.

Het is volgens mij niet zeker of de ouders in ‘Moeder Vader’ dood zijn, maar hun aanwezigheid in de ‘ik’ is hun overleden zelf. Waarom koos je voor dit perspectief?
Ik heb ergens gehoord of gelezen dat je geschiedenis pas begint op het moment dat je wees wordt. Op het moment dat je ouders sterven kom je los te staan van de geschiedenis. Wat je van dan af maakt, doe je voor jezelf. Er is niemand meer wiens trots je moet verdienen, niemand wiens opvoeding je moet vervolmaken, niemand die voor jou verantwoordelijkheid draagt. Momenteel ligt de levensverwachting zo hoog, dat je zelf al bijna een oude man bent als je ouders sterven. Daarom koos ik ervoor het via mijn gedichten zelf te doen.
‘Moeder Vader’ schreef ik naar aanleiding van het moment waarop ik voor de eerste keer bij mijn ouders op bezoek ging. Mijn kamer was er nog, net als hun oude rituelen en gebruiken. Vormelijk kon ik perfect met hen meegaan. Alleen verandert er op zo’n moment vanbinnen iets, denk ik. Op dat moment besefte ik dat ik daar nooit meer echt zou wonen. Ik zou er gemakkelijk een week kunnen verblijven, maar die periode dat je er echt inwoont, die is normaal gezien voorgoed voorbij.

In je gedicht noem je de naam ‘de grens van al mijn kunnen’. Je naam is een van de belangrijkste onderdelen van je identiteit, en zoals zoveel andere dingen is het iets waar je zelf geen invloed op hebt gehad. Ook het feit dat de ‘ik’ een lichaam krijgt dat belast is met de erfenis van de ouders, komt sterk naar voren. Waar komt de machteloosheid vandaan, die zo sterk uit deze gedichten lijkt te spreken?
Deze gedichten zijn een manier om me van mijn ouders te ontdoen. Om zelf mens te worden, aan een geschiedenis te beginnen. Het is een afrekening met hun opvoeding, met hun genetisch materiaal, met al die zaken waar niet aan te ontkomen valt. Ik ben niet fatalistisch ingesteld, maar ik geloof dat je ouders samen met het toeval voor een groot deel bepalen waar je heengaat. Ik ben in ieder geval zo opgegroeid. Machteloosheid is vaak een aanzet om gedichten te schrijven. Ik vertrek vanuit een verontwaardiging, iets dat ik ervaar als onrechtvaardig of moeilijk te vatten. Mijn ouders hebben mij belast met een groot rechtvaardigheidsgevoel. Daar heb je het alweer. Als kind was mijn eerste reactie altijd: ‘maar dat is mijn schuld niet.’ Misschien zijn mijn gedichten daar een variant op. Ik heb me altijd graag onttrokken aan verantwoordelijkheid en schuld. Poëzie als een excuus.

Geplaatst in Interviews en getagd met .