Het hoofd te groot, de stad te klein

Amber-Helena Reisig gaat als een speer. De dichteres, te schilderen met grote ogen, rood gestifte lippen en een sigaret in de hand, heeft hier en daar wel iets gemeen met de zingende YouTube-fenomenen van de laatste jaren: jong, bomvol talent en zeer actief in de blogosfeer. Ze werd opgemerkt door andere bloggers en is inmiddels ook ver buiten die sfeer bekend. Onlangs nog stond ze als jongste in de categorie ‘Creatief’ van de Viva 400, een lijst met succesvolle Nederlandse vrouwen. Meander sprak met haar.

Als je terugkijkt op je zich ontwikkelende schrijverscarrière, wat zijn dan de belangrijkste momenten geweest?
Kijk, ik denk niet dat er zozeer sprake is geweest van belangrijkste momenten. Schrijven is een proces en de weg naar het schrijverschap ook. Toch heb ik zelf steeds gedacht: als ik dit en dat bereik, is dat een mijlpaal, een daad of toekenning die mijn vorderingen zal markeren. Maar steeds als ik iets bereik, lijkt deze mijlpaal zich verder te verplaatsen. Als een soort tantaluskwelling. Op dit moment lijkt dat het verschijnen van mijn debuutroman te zijn. Wellicht denk ik dan weer: ik mag mijzelf pas schrijver noemen wanneer ik een prijs van een zekere aard heb gewonnen of iets dergelijks. In die zin houdt die zogenaamde kwelling me wel alert. Het is soms zo verleidelijk om op je lauweren te rusten. Maar ik besef terdege dat ik er nog lang niet ben.

Je gedichten, en ook je verhalen, geven een persoonlijke indruk, alsof ze dicht bij het schrijvershart lagen. Put je veel inspiratie uit je eigen belevenissen?
Ja, natuurlijk. En ik denk dat iedereen die zegt dat niet te doen, liegt. Het is natuurlijk waar dat je vanuit een ander perspectief kunt schrijven, maar dan is dit altijd gekleurd door de eigen waarneming. Misschien is mijn werk in die zin wel persoonlijker dan dat van anderen. Het fijne aan je blootgeven in je teksten is dat het verlichting biedt en ook een zekere controle. Je kunt er van alles uitflappen, dronken op vrijdagavond. In mijn werk mag ik mij gecontroleerd blootgeven. Bij alles wat ik beleef hoor ik de romancier of dichter in mijn hoofd denken: ‘Als je dit nu eens hier en daar aan verbindt en het zo verwoordt, dan…’ Iets dat soms wel vervelend is voor de mensen in mijn omgeving. Ik buit ze uit.

Als geboren Limburgse, afkomstig uit Heerlen, woon je sinds kort in Amsterdam. Hoe heb je de overgang ervaren?
Ik denk dat ik in wezen nooit een Limburgse ben geweest. Niet dat ik mij schaam voor mijn afkomst – zoals vele zuiderlingen doen. Zodra zij in de Randstad wonen, proberen ze hun accent te verdoezelen. Neen, ik vind Limburg een prachtige enclave en hoe langer ik in Amsterdam woon, hoe meer ik verlang naar de eenvoud en misschien juist wel de complexiteit van het wonen in een stad als Heerlen. Er komt een bepaald punt waarop je hoofd te groot wordt, de stad te klein. En toch blijf ik verlangen naar de herkenning. Ben ik een dag in Heerlen dan zijn er nog steeds mensen die mij niet vergeten zijn.

Hoe verhoudt die hang naar eenvoud zich met het grotere literaire aanbod in Amsterdam?
Sinds ik in Amsterdam woon, merk ik dat mijn wereld misschien juist nog kleiner is geworden. Ik begeef mij graag iedere dag op dezelfde wegen, in dezelfde wijk, langs dezelfde winkels en cafés. Ik ben geen mens voor te veel mogelijkheden. Nooit geweest ook. Ik heb een klein territorium nodig dat ik kan bewaken. Soms denk ik dat ik meer naar buiten zou moeten gaan, nieuwe plekken ontdekken, maar die plekken blijken altijd in mijn hoofd te zitten in plaats van daarbuiten. Ik kan niet goed tegen verandering, daarvoor is er al te veel chaos in mij. Ik beloof mijzelf iedere week weer naar meer optredens te gaan kijken. Maar het komt er niet van. Er is te veel.

Je zegt, er is te veel. Maar je doet zelf ook erg veel: je drukt je uit in meerdere genres en, zoals je zelf zegt, in alles wat ertussen valt. Je debuutroman komt eind 2012 uit bij een grote landelijke uitgeverij. Je organiseert evenementen en je bent redacteur bij De Optimist. Hoe houd je al die ballen in de lucht? Valt het jongleren je zwaar?
Ja, ontzettend. Ik ben typisch een geval van iemand die te veel hooi op zijn vork neemt. Ik vind alles leuk, zeg op alles ja. Maar dingen zijn me al snel te veel. Ik ben nu wel op een punt gekomen waarop ik besef dat ik me maar op één ding volledig moet richten, dat de rest ballast is. De tijd is gekomen voor het enige schrijven. Het ambachtelijke schrijven. Ik zou iemand willen zijn die dagelijks volle kantooruren achter zijn schrijfmachine kruipt en werkt. De tijd is gekomen om me te bewijzen. En dan mag ik weer leuk doen tijdens optredens. Het is nu alleen de kunst om alle huidige projecten tot een goed einde te brengen en dan nergens meer ja op te zeggen.

Is dat waar je het meeste naar uitkijkt dit net begonnen jaar?
Op dit moment werk ik aan mijn roman. Het is net een zwangerschap. Een olifantenzwangerschap, welteverstaan. Ik zie dit jaar als het jaar waarin alles bij elkaar zal komen. Alle ideeën die zo lang ingevroren hebben gezeten. Iemand vertelde mij ooit dat hij een soort imaginaire vriescel had waar hij al zijn ideeën een tijdje invroor en dat er een dag zou komen waarop hij ze zou ontdooien. Ik denk dat het nu tijd is om alles te ontdooien.

Amber-Helena Reisigs debuutroman, onder de werktitel Het Sterfhuis, verschijnt eind oktober bij uitgeverij Prometheus. Begin 2013 verschijnt bij diezelfde uitgeverij haar debuutbundel.

Geplaatst in Interviews en getagd met .