Nachoem M. Wijnberg – Als ik als eerste aankom

Eigenzinnig en on-Nederlands

door Roel Weerheijm

Nachoem M. Wijnberg publiceerde met Als ik als eerste aankom zijn veertiende bundel. Een zeer aparte en, helaas, nog altijd weinig gekende dichter. Een dichter wiens poëzie een gebruiksaanwijzing behoeft, maar die zeer, zéér de moeite waard is.

Beweging staat centraal in Als ik als eerste aankom, te beginnen bij de titel. Maar misschien nog belangrijker: de plaatsbepaling van de ‘ik’, de beelden, de poëzie zelf wellicht. De plaatsbepaling van de ‘ik’ komt nadrukkelijk naar voren in het titelgedicht:

Als ik als eerste aankom
neem ik wat
iedereen wel zou willen,
zoals het enige bed in huis
en ik zou het snel kunnen ruilen met
de eerste die er iets voor wil geven.

Dan heb ik misschien
nog een kans
op een plaats op de vloer,
tegen een muur aan,
zodat ik niet tussen
anderen in hoef te liggen.

Ik herinner mij hoe het was
toen ik voor het eerst binnenkwam,
voordat het terugvinden begon
van de vloer en het plafond
en de muren
die er waren.

We zien een ‘ik’ (de dichter?) die een plek kiest waar hij zich niet tussen anderen bevindt – en dus des te beter naar de anderen kan kijken. De dichter als observerende buitenstaander is een weinig verheffend onderwerp, maar voor Wijnberg is dit gegeven slechts het vertrekpunt voor een reis door zeventig gedichten.
De poëzie is tamelijk abstract: er is geen verhalende lijn in te ontdekken, geen engagement, en vooral (vrijwel) geen emotie. De met een sobere taal geschreven tekst bestaat uit vragen die Wijnberg stelt bij situaties, en de associatieve opeenvolging van overwegingen. Het lange gedicht ‘Maar heb je er zelf iets aan?’ is een treffend voorbeeld van het karakter van deze bundel. De derde strofe:

Toen je een keer
een koe geslacht had
vertelde je dat het geen triest werk was,
het was kalm en warm
misschien ook omdat het dier groot was.

Het nare beeld van een geslachte koe komt hier buitengewoon neutraal naar voren. Waarom kende de slacht geen emotie? Omdat het beest groot was – een feitelijke constatering, geen beroep op gevoelens of persoonlijke waarnemingen. Het maakt de poëzie van Wijnberg heel eigenzinnig en vooral on-Nederlands (wat uiteraard als een neutrale constatering is bedoeld). In taalgebruik is de bundel kraakhelder, inhoudelijk is het vanuit Nederlands, of zelfs westers begrip, echter veel lastiger te doorgronden.
Wat ik nog het meest in het oog vind springen, is de vanzelfsprekendheid van de eigenzinnige beelden en zinnen, en de vanzelfsprekendheid van de opeenvolging ervan. Het is zoals Wijnberg het zelf in dit gedicht omschrijft: ‘Je hoorde iemand muziek maken en het was alsof je die zelf maakte, al zou je niet weten waar te beginnen.’

De bundel heeft een bezwerend karakter. Dat bezwerende zit ‘m in de formulering van de beelden en zinnen, in het dwingende van de vragen, in de opeenvolging van associaties. Het levert een overtuigend geheel op waarin de samenhang (of het bevragen daarvan) niet aan de orde komt, en er ook geen ruimte voor de lezer overblijft voor relativering van, of twijfel aan het woord van de dichter. Dat maakt trouwens niets uit: de bundel loopt over van taalvreugde, taaldronkenschap, die geen relativering behoeft. Dat zou het feest dat deze bundel is, maar bederven.
Als ik als eerste aankom kent daarmee twee eigenaardige tegenstellingen: ten eerste het bezwerende karakter van de tekst tegenover de emotieloosheid van de tekst, ten tweede de taaldronkenschap van de dichter tegenover de emotieloosheid van de tekst. Die twee tegenstellingen roepen een spanning op, vergroot door het uitblijven van de persoon(lijkheid) van de dichter zelf. (Zoals hij het formuleert in het gedicht ‘Troje’: ‘Nog maar een keer de Odysseus-truc, niemand heeft mij gestuurd.’)
Eigenaardig genoeg hebben sommige gedichten ondanks alles nog de schijn van emotie, juist door hun onderkoelde taal. Zoals in het relatief concrete gedicht ‘Afspraak’:

Ach jij, jij
kunt midden op een warme dag
een bad nemen.

Je bent vroeg opgestaan
om op tijd te komen
en je bent alweer terug.

Je hebt geluisterd,
soms met je ogen dicht,
maar niet in slaap.

In alle kleren die je aanhad
was het zo warm
en je wilde zo weinig mogelijk bewegen.

En straks, als
het avond is
drink je thee met wie je
dat afgesproken hebt,
half in de tuin, half ergens anders.

Niets wat naar emotie ruikt, in dit gedicht. ‘Je bent vroeg opgestaan’ kan veel inhouden, maar wie verwacht het droge ‘om op tijd te komen’ als reden? En het theedrinken, dat klinkt als een gezellige avond met vriendinnen, wordt koel en afstandelijk door het ‘met wie je dat afgesproken hebt’ – als een vinkje op een te-doen-lijst.
En toch is het een gevoelig liefdesgedicht. Wijnberg lost enkele grote tegenstellingen, die ik eerder opmerkte, niet op: hij gebruikt ze om een sterke en volstrekt onafhankelijke poëtica op te bouwen. Hijzelf lijkt geen deel te zijn van de tekst, en ook de lezer is een genegeerde factor: hij staat erbij en kijkt ernaar – maar dat is in dit geval beslist een compliment.

(Nota bene: de uitwaaierende vormgeving van de meeste gedichten uit Als ik als eerste aankom is van dien aard dat het onmogelijk is deze hier over te brengen. Wie de correcte weergave van de citaten wil zien, schaffe de bundel aan.)

******
Nachoem M. Wijnberg (1961) studeerde Rechten en Economie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 1990 aan de Rotterdam School of Management en werd in 2001 benoemd tot hoogleraar Industriële Economie en organisatie aan Rijksuniversiteit Groningen. Sinds 2005 werkt hij aan de Universiteit van Amsterdam.
Wijnberg is dichter en romanschrijver. Hij schreef vier romans (meest recent: De opvolging, 2005) en dertien dichtbundels. De eerste tien werden in 2009 verzameld in Uit tien.  Daarna verschenen nog Liedjes, dat werd bekroond met de Ida Gerhardt Poëzie Prijs 2008,  Het leven van, dat de VSB Poëzieprijs 2009 kreeg toebedeeld, en Divan van Ghalib, waaraan de Gedichtendagprijs 2010 toeviel.

Geplaatst in Recensies.