Peuteren aan woordjes

Jurjen Keessen (1949) publiceerde Ballades/Structuren, een dichtbundel met ballades in de stijl van de 15e-eeuwse Franse dichter François Villon met foto’s van Dolf Middelhoff. Van dezelfde dichter en fotograaf verscheen in 2011 de bundel Het Eiland.

Je bent bekend als schrijver van wandelroutes als Drenthepad, Trekvogelpad en Texelpad. Liggen de gedichten die je schrijft in het verlengde daarvan of is er sprake van tegenwicht?
Die wandelgidsen heb ik geschreven toen ik bij het Nivon werkte, de Nederlandse tak van de vereniging van Internationale Natuurvrienden (NFI). Ik heb daar met veel plezier aan gewerkt, maar het zijn teksten met een duidelijk doel: informatie voor wandelaars. In de gedichten schrijf ik wat ik kwijt wil, op de toon en in de vorm die mij daar het beste voor lijken. Natuurlijk wil ik graag dat anderen dat oppakken en waarderen, maar er is niets direct toegepasts aan. Ze zullen niemand van A naar B brengen.

Waar gaat je voorkeur naar uit?
Mijn voorkeur ligt bij de gedichten, heel duidelijk. Maar zoals je ziet in de gedichten bij dit interview, speelt de natuur nog wel vaak een hoofdrol. En ‘Het Geheim’ gaat zelfs over een wandelaar.

Je werkt nauw samen met de fotograaf Dolf Middelhoff. Waarin zit de waarde van deze samenwerking?
Er zijn wat verschillen tussen de twee boekjes. Het Eiland is gebaseerd op een gezamenlijk verblijf op de onbewoonde Shiant Islands, in de Schotse Hebriden. De foto’s laten min of meer hetzelfde zien als wat de gedichten beschrijven. Er is dus een duidelijk verband. Dolfs foto’s bij mijn ballades zijn veel abstracter. Ze verbeelden niet wat in de gedichten wordt geschreven, hooguit weerspiegelen ze in kleur, materiaal en structuur de gevoelswaarde ervan. Het was voor ons een spel om dat voor elkaar te krijgen in de keuze van de foto’s bij de gedichten, en we hopen maar dat de lezer dat spel wil meespelen. Maar laten we er niet te hoogdravend over doen – de waarde zit er voor ons vooral in dat we samen iets moois en waardevols maken.

Je schreef ons dat je ‘via de taal de allerbeste uitdrukking probeert te geven aan wat je maar raakt. ‘Allerbeste’ betekent vrij van tijdsdruk en commercie.’ Kun je dat nader toelichten? Anderen presteren vaak beter onder druk.
Nou nee, ik geloof niet dat ik onder tijdsdruk beter ga presteren. Het kan overigens best zijn dat je sommige dingen zonder druk van buitenaf helemaal niet zou doen. Maar voor mij is poëzie een poging om iets wat je raakt, wat je belangrijk vindt, heel ernstig (ook als het grappig is) zo goed mogelijk weer te geven,  een gevoel, overtuiging, gebeurtenis, wat dan ook. Los van de vraag of het ook nog wat opbrengt en of het voor vier uur af kan. Ik zou zeggen: laten we er vooral nog een nachtje over slapen. Maar als iemand je vraagt wat poëzie voor jou betekent, is het gevaar natuurlijk dat je in vage uitweidingen verzandt, die helemaal niets poëtisch meer hebben. Ik had misschien beter kunnen antwoorden met een gedichtje dat ik ooit schreef:

dichten is zo’n beetje
peuteren aan woordjes
tot ze leven.
 


Geldt dat peuteren ook voor de vorm van het gedicht? Een ballade is vrij strak van vorm.
Vergeleken met de klassieke ballades veroorloof ik me nogal wat vrijheden – geen vaste rijmschema’s, überhaupt niet veel rijm of vast metrum, variatie in de terugkerende slotregels van de strofes. Ik heb voor deze vaste vorm gekozen omdat ik vond dat die het best werkte voor wat ik wilde zeggen. Hij dwingt je tot een bepaalde lengte, en met die herhalingen maakte dat voor mij een zekere zelfspot en ironie mogelijk. Dat had ik nodig om over onzekerheid, ouderdom, vriendschap en liefde  te schrijven. En om daarbij sentimentaliteit, pathos en zwaarwichtigheid te vermijden. Bij andere onderwerpen, zoals in ‘Het Geheim’ en ‘Thuiskomst’, heb ik geen behoefte aan die ironische afstand, die vind ik juist het best tot hun recht komen in de vrijere vorm. Dat geldt ook voor Het Eiland, dat over de natuur en het probleem van onze verhouding daarmee gaat. Die bundel eindigt trouwens wel met een haiku, omdat dat gedichtje daar voor mijn gevoel om vroeg, en ook een beetje om het einde van ons verblijf en de terugkeer naar de geordende maatschappij te symboliseren:

plastic colafles
op het keienstrand – ze zijn
ons niet vergeten.
 

Het gedicht ‘James Bond’ is een geval apart. Zelf noem ik het een ‘objet trouvé’: een gedichtje gebaseerd op iets wat je toevallig opvangt. Hier dus wat twee jongetjes tegen elkaar zeiden.

Zouden je lezers iets van je moeten weten om je gedichten helemaal te kunnen beleven?
We kunnen alles eindeloos uitleggen, en die verleiding is er altijd, maar uiteindelijk moet een gedicht het toch zelf doen. Zoals ik in de ‘Ballade van de ballade’ zeg:
het envooi, ‘… dat is de opdracht waarmee je vers/ stroop smerend maar moet zien/ dat het zich redt …’

De bundels Ballades/Structuren  en Het Eiland zijn verkrijgbaar via http://www.dolfkalenders.nl. De laatste bundel werd eerder in Meander besproken.

Geplaatst in Interviews en getagd met .