Een laagje over oud zeer

Anita Maatman-Douma is geboren onder de rook van Douwe Egberts in het Friese Joure op 20 mei 1970 en leeft samen met partner en dochter Juul. Ze houdt van zachte taal en van gelaagde poëzie. In 2007 debuteerde ze op het podium van Onbederf’lijk vers in Den Bosch. Ze publiceerde in Krakatau, Meander, Contrabas, Noach’s kat, Plebs, Digther en magazine Opspraak.  De poëzie van Toon Tellegen, Herman de Coninck en Joke van Leeuwen ligt haar na aan het hart.
Ze
probeert zichzelf als dichteres niet al te serieus te nemen. Zodra er iets van het schrijven gaat afhangen, is het plezier er af en dat wil ze graag voorkomen.
De directe aanleiding om te gaan dichten
was dat haar ouders ruim zes jaar geleden heel kort na elkaar stierven.
‘Schrijven moet wat mij betreft iets toevoegen aan het leven van alledag. Ik leg er graag een laagje mee over oud zeer, of ik lieg er mijn eigen waarheid mee te voorschijn.’
 
Wat wil je uitdrukken met je gedichten? 
Met mijn gedichten wil ik losse indrukken voor mezelf een meerwaarde geven. Ik begin altijd met de laatste regel, die goed moet zijn. Eigenlijk ligt de essentie van mijn gedichten altijd in die laatste zin, daarna zoek ik daar de andere regels bij. Ik deel hetgeen ik schrijf overigens wel heel graag met de lezer. De lezer altijd gelijk. Hij of zij mag mijn gedichten dus naar hartenlust interpreteren. We hebben tenslotte allemaal onze eigen waarheid en hoe een gedicht door iemand wordt ervaren is volgens mij altijd afhankelijk van zijn of haar gemoedstoestand op dat moment. Het zijn maar woorden. Het echte leven maakt veel meer indruk. Misschien zijn mijn gedichten voor mij een soort doekje voor het bloeden waar anderen ook gebruik van mogen maken.
 
Wat zijn de thema’s in je gedichten?
De liefde, het leven, de dood en alles daaromheen. Soms zou ik willen dat ik wat meer spanning in mijn gedichten kon aanbrengen. Ik bewonder dichters als Johanna Geels en Marjon Sarneel, vanwege hun originele onderwerpen en taalgebruik, omdat het hen altijd lukt om juist daarmee mijn gevoelige snaar te raken. Ik ben me bewust van mijn eigen beperkingen. Het hoogst haalbare voor mij is denk ik de lezer die mijn hand pakt en tegen me zegt: ‘Ik kan niet goed duiden waar je me precies hebt aangeraakt, maar ik heb het gevoeld’. In het gedicht ‘Knapperbrood en paarden’ bijvoorbeeld, heb ik geprobeerd een onbeschrijflijk krachtig moment tussen twee mensen te vangen. Ondanks dat ik best weet dat ‘de zon’ er in de poëzie inmiddels ontelbare keren bij is gehaald, kan het dan in mijn ogen bijna niet anders of hij moet daar ergens een aandeel in hebben gehad.

Wat doe je in het dagelijks leven?
Ik ben werkzaam als zorgcoördinator bij een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Het mooie van dat werk vind ik dat je net als bij het lezen van poëzie constant op zoek moet gaan naar de betekenis achter woord en in dit geval, achter gebaar en gedrag.
 
De eerste twee ingestuurde gedichten lees ik alsof het gaat over een kind. Is die associatie juist?
Die associatie is volkomen terecht. Ik ben gaan schrijven toen mijn moeder ernstig ziek werd. We deelden de liefde voor poëzie en tijdens haar ziekbed las ik haar vaak gedichten voor (Beets, Marsman, Gerhardt), die we opmerkelijk genoeg, ineens veel beter begrepen. In zo’n situatie ga je de dingen om je heen op een heel andere manier beleven. Je weet plotseling heel zeker waar het in het leven nu eigenlijk om draait. Alles wat er om je heen gebeurt krijgt op de een of andere manier een diepere betekenis, zo ook de geschreven taal. Mijn moeder was een prachtige vrouw en hoe gek het ook klinkt, zo ziek als ze was, werd ze steeds sterker en mooier. Ik heb telkens gedacht, ik moet alles wat ik aan haar zie en alles wat we nu beleven vastleggen, zodat ik het later keer op keer terug kan lezen. Ze vertelde eens dat ze wakker lag in een bange nacht en dat ze, toen ze de woorden van Nicolaas Beets reciteerde, voelde hoe mijn zus en ik heel dicht tegen haar aankropen,en dat haar dat rustig maakte. Ik vond dat zo’n mooi gegeven, de kracht van de verbeelding. Dat is precies wat poëzie zou moeten doen. Hier volgt de eerste strofe:

‘De moerbeitoppen ruischten;’         
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
hij wist wat ik behoefde
en sprak tot mij


Waar gaat het gedicht ‘Je lijkt nog op mijn vader’ over?

Je lijkt nog op mijn vader schreef ik vlak nadat mijn vader stierf. Hij overleed heel plotseling en binnen zes maanden na mijn moeder. Mijn zus ging vlak na zijn dood meehelpen om hem te wassen, maar ik vond dat op dat moment te moeilijk. Later vertelde ze dat ze steeds naar hem had gekeken en dat ze hem zo knap had gevonden en dat hij nog steeds het lichaam had van een jonge man. Toen hij thuis kwam, ben ik een nacht met hem alleen gebleven. Dat voelde heel vertrouwd. Hij zag er nog steeds uit als mijn vader, ik moest alleen wel telkens van mijzelf even aan hem voelen om te controleren of het allemaal wel echt was. Het derde gedicht: ‘Ontsluiten’ gaat over het verlangen naar wat is geweest, het terug willen kruipen in de veilige buik van een moeder. Ik denk dat de diepere betekenissen achter bijna al mijn gedichten in dat gedicht bij elkaar komen.

Je debuutbundel wordt binnenkort uitgegeven?
Enige tijd geleden werd ik benaderd door Albert Hagenaars, redacteur bij Uitgeverij Wel, een kleine Uitgeverij in Bergen op Zoom. Hij wilde mijn debuutbundel heel graag uitgeven. Mogelijk komt dit jaar de bundel uit. De rode draad in deze bundel zal waarschijnlijk zijn, hoe we met zijn allen wanhopig iets vast proberen te houden wat we uiteindelijk toch zullen moeten laten gaan.

Geplaatst in Interviews en getagd met .