Ester Naomi Perquin – Celinspecties

Iedereen is altijd maker van keuzes

door Johan Reijmerink

Wat hebben een cipier, een gevangene en een dichter gemeen? Die vraag kwam direct bij me boven, toen ik de inhoud van de nieuwe bundel Celinspecties van Ester Naomi Perquin een eerste keer doorlas. Alle drie worden ze in hun vrijheid beperkt. Een cipier als bewaker van gevangenen is gebonden aan de spelregels van het gevangenissysteem: betrokken afstand te bewaren. Gevangenen zitten net als ieder mens vast, aan wie ze zijn en aan de keuzes die ze in het verleden hebben gemaakt: onderdrukte emotie te beheersen. Een dichter zit vast aan de taal: zich aan het creatieve proces te onderwerpen. Als jongleur is hij niet zozeer uit op directe communicatie, maar het gaat hem er in de eerste plaats om met die invallende woorden uiting te geven aan een nog niet gedeeld inzicht, een verrassend nieuwe kijk op bestaande zaken, een overrompelende emotie. In deze bundel toont Perquin binnen de beperkingen van de cel introspecties van gevangenen.

Celinspecties is Perquins derde bundel. Zij debuteerde met Servetten halfstok (2007), vervolgde met Namens de ander (2009 en is inmiddels een gelauwerd dichter: Debuutprijs, C.Buddingh-prijs en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. Ze schrijft columns voor De Groene Amsterdammer en De Avonden (VPRO), is redacteur van Tirade en sinds 2011 stadsdichter van Rotterdam.

Perquin is een tijd lang cipier geweest in een huis van bewaring. Haar nieuwste bundel is een weerslag van die ervaringen en geeft ons inzicht in de gedachte- en gevoelswereld van de gevangenen die zij dagelijks bediende.
Ze begint veelzeggend: ‘Liet me argeloos vallen die dag in andermans leven,’. Geen ‘Ik liet …’, maar ‘Liet’. Daaruit kunnen we al direct afleiden, dat de ik zich op de achtergrond wenst te houden. Toch weet ze de levens van deze gefnuikte en gekooide mensen binnen te dringen. Ze raakt aan hun intieme overwegingen. ‘Binnen beperkingen’ bevat inbeeldingen en droombeelden, op het hallucinerende af. Altijd maar dat doordenken binnen de muren van je cel.
Perquin heeft hun wereld wonderwel boven de alledaagse observaties en gesprekken uitgetild en op een soort van poëtisch metaniveau gebracht. Je kijkt met de ik van opzij, dwars door, van onder en boven langs mee naar de voorgeschiedenissen van tien delinquenten en hun status aparte nu. Ze zit ze dicht op de huid. Nu eens zijn de verzen opsommend, sterk ritmisch en dynamisch, dan weer in trage lange versregels die overweging en argwaan tonen. Veel klanken en kleuren van stemmingen en schakeringen van zelfinzicht komen langs. Diverse verschijnselen komen en/of zetten zich in beweging als waren het mensen. De dingen nemen hun loop: ‘Ook daglicht speelt met wat het kenbaar maakt;/’. Dat maakt haar teksten beheerst, scherpzinnig en speels tegelijk. Het houdt je als lezer alert. In die zin vind ik haar taalgebruik caleidoscopisch van aard: kleurrijk, afwisselend en beeldrijk. Ambiguïteit en ambivalenties liggen permanent op de loer.

Het openingsgedicht slaat een verwonderlijke, tegendraadse toon aan om ons ervan te doordringen dat we anders naar die gevangeniswerkelijkheid dienen te kijken dan we gewoonlijk doen:

ik stormde bont en blauw geslagen vrouwen huizen uit,
schuifelde bedelaars kastelen in, liet een kille moeder
tijdig knielen bij een kind dat viel
was het kind dat viel.

De versregels met bont en blauw geslagen vrouwen die uit huizen zijn verjaagd, laten een verstrengeling aan uitdrukkingen zien die zo’n dichtregel extra spankracht meegeeft. Perquin contamineert vaker. Zo’n versregel doet je even de wenkbrauwen fronsen en daarna vanwege de gelaagdheid tevreden verder lezen. De ik maakt zich in deze bundel tot meer dan alleen maar toeschouwer, maar weet zich betrokken bij de drama’s die ze aanhoort en onder ogen ziet.

Perquins poëzie blijft dicht bij de spreektaal: ‘Ik hoef hun televisie niet.’ De inkijkjes in de tien uiteenlopende mensenlevens hebben allemaal het karakter van opgetekende innerlijke monologen en flarden van dialogen. De ik laat zich weinig invoegen in het spreken van de delinquenten. Hun verhalen heeft zij elk een persoonlijke kleur, maar bovenal een algemeen menselijke dramatiek meegegeven: ‘dat hebben we heus wel geweten.’
Niet voor niks gebruikt Perquin in de aanhef van de meeste gedichten voornaam met achternaam ingekort tot een hoofdletter: Frans van A.. Criminelen, maar zeker ook mensen die stuk gelopen zijn op hun eigen leefomgeving, onvermogen, onwil en gebrek aan discipline om de koers te verleggen.

Wat ons betreft

Van alle dingen die ze ons daar leerden – hoe rechtop te staan bij tegenwind,
een pak te kopen, das te knopen, geld te sparen, hoe je stem te vormen
tot een schoon geweten, weg te lopen, vast te houden, af te wachten,
te praten met vrouwen, netjes eten – er bleef weinig achter.

We waren onverbeterlijk gebouwd voor roof en braak, met handen
als grote doelmatige klauwen, ogen als gaten, met tanden om
ijzer te bijten, kloppende plannen, een pikzwart verleden,
hersenen gemaakt voor smerig leven. Onze taal
vol kogels, ziektes, lichaamsdelen.

Het ‘ding zijn’ biedt wellicht bescherming tegen het mens zijn. Bovenal zijn er de innerlijke pijn, de schuldgevoelens, het onvermijdelijke te aanvaarden dat je bent die je bent. Menno F. laat in het gedicht ‘Verkeerd begrepen’ zien dat hij wel wilde

dat het goed afliep. […]

ik wilde géén lamaarwaaien, wat dan ook, moet
maar gaan zoals het gaat, ik wilde wél
het toonbare, vastomlijnde zijn.

Mensen van goede wil, maar helaas hun wil is niet krachtig genoeg gebleken tegen hun neiging tegemoet te komen aan plots opkomende impulsen.
Gevangenen – allemaal mannen – komen in beeld. Ieder met hun eigen afwijkend gedrag. Jakob de B.:

Altijd denk je aan de meisjes, zo gauw de wereld ’s morgens openklapt
aan hun huppel het huis uit, hun sprong in het zicht, hun dansende
fietsende benen je dansende fietsende hart

Zo droomt hij:

Dat ik droomde dat ik wakker werd in een lichaam dat niemand had verteld,
de buik een wolwerk van verzet, niet in te snoeren vel, de borsten
monsterlijk gezwollen. Iets met hormonen dat ik niet meer weet,
het viel niet in te tomen zo weelderig rond

Jacob die zichzelf in de gedaante van een vrouw waant. Hij sluit zich op in zijn eigen droomwereld als verweer tegen zijn realiteit.
En Frederik C. die zichzelf op de been houdt met te zeggen:

De straf hangt af van hoe je het zegt. […]

[…] In plaats van moordenaar
kies je ‘dader’. Ruimtelijker. Minder beladen.

Hij bedient zich van woorden ter verzachting en vergoelijking van zijn situatie. Of David H. die bekent:

Omdat ik haar gezicht veel beter heb gekend dan zij het mijne – ik liet haar
eerst een klein beetje verdwijnen, daarna steeds meer tot ook ik
niet zeker wist waar ze gebleven was –

Hij vraagt zich zelfs af of hij er zelf wel bij was toen het gebeurde:

Ik was er niet bij die nacht. En als ik erbij was dan wist ik dat niet.
Dat er werd gedronken, je hoort wel eens wat, dat ze
verkeerde dingen deden heb ik nu pas begrepen.

[…] Maar dingen gebeuren nou eenmaal bij jou en bij mij,
bij volslagen onbekenden, dingen gebeuren
in huizen waar je nooit bent geweest.

Niet hij maar een ander was erbij betrokken. Hij tracht aan zichzelf te ontkomen. Misdaad voltrekt zich uit zichzelf, zo lijkt het. De cipier observeert. De gevangene kijkt de cipier indringend aan en hoopt op een andere kijk op hem en zijn gedrag dan hij denkt dat ze van hem heeft:

Ik kan dit verhaal maar één keer vertellen, ik vertel het daarom
liever in één keer goed. Ik vertel het daarom aan u.

Carlo ‘de veroveraar’ da C. is er trots op dat ze wel hem maar niet de buit te pakken hebben gekregen:

Wat er te halen viel heb ik nóg.
Ze nemen me geen meter af van elke afstand die ik won,
van elke kamer die ik zag en ieder dak dat ik
beklom en waar ik stond en koning was.

Een moord heeft:

iets ambachtelijks heeft als goede
zelfgemaakte worst met kruidnagel en stukjes been,
dat huisgemaakte van de hele onderneming,
de eer die je schept in bij wijze van
spreken je eigen recept.

Ze hebben allemaal een ernstig delict op hun geweten. Een ieder heeft daarmee zijn eigen omgang, zijn eigen rechtvaardiging gevonden.
De bundel opent met een titelloos gedicht waarin de ik allerlei activiteiten in vogelvlucht laat langskomen; de bundel eindigt met een tragisch lied waarin verteld wordt dat Bennie ineens een beetje raar is gaan doen, waardoor hij in de gevangenis is terechtgekomen. Bennie slaat op het laatst de hand aan zichzelf:

Bennie, er is heel veel gepraat toen jij gevonden was
en niemand wilde denken aan het laatste
wat je deed, niemand stelde vragen.

De hele bundel wordt gedragen door een raamwerk van observaties en innerlijke dialogen, omgeven door een openings- en slotgedicht. De cirkel blijft gesloten. Geen enkele gevangene ontkomt aan zijn eigen levensverhaal en zijn eigen keuzes uit het verleden: ‘ik heb niet geleerd/ te ontroeren. Ik ben achttien./ Ik zit vast voor moord.//’ De mens in de gevangene pelt Perquin naar buiten toe af. Verwondering over het feit dat je bent die je bent wordt niet alleen deelachtig aan de ik en de gevangene, maar ook aan de lezer. Het mens zijn blijft staan, wat er ook gebeurd is. In Perquin is een invoelende cipier verloren gegaan! Knappe bundel.

 

Geplaatst in Recensies.