Emma Crebolder – Vallen

Valide gedichten

door Joop Leibbrand

Emma Crebolder ging voor haar bundel Vallen uit van een vast concept. Op de rechter pagina’s staan de vijfentwintig gedichten, alle in dezelfde vorm: vijf tweeregelige strofen, waarbij steeds de tweede en vierde inspringen.

De regelval ontduiken door van links
naar rechts op te schuiven. In de achter-

hoede met twee jonge regels
angstvallig dekking zoeken.

Vooruit. Pal staan bij de kantlijn.
terug aan het front stel ik

de strofe in slagorde op.
Ik probeer door het eigen

kordon heen te breken, met
een finale valpartij tot slot.

Op de zwarte linker pagina’s ‘glijden’ in wisselende formaties, vanaf steeds verschillende posities en nooit allemaal tegelijk de afzonderlijke letters van v-a-l-l-e-n van de bladzijden. Het lijkt misschien niet meer dan een aardigheidje dat de bundel meteen twee keer zo dik maakt als hij is, maar dat met zoveel nadruk zichtbaar wordt gemaakt hoe het woord ‘vallen’ valt, is niet zonder reden. Crebolder gebruikt in haar gedichten namelijk maar liefst 75 ‘valwoorden’ (gemiddeld drie per gedicht dus), als je tenminste woorden als ‘beviel’ en ‘vielen’ meetelt en er ook ‘vellen’ (= doen vallen) en chute en geparachuteerd toe rekent, evenals de ‘optische’ val in ‘vale’ en ‘lavallière’.

Het rapen van valappels.
Het volgen van overvliegende

ganzen. De valling
van de dijk vol klaproos.

Dit is het valluik.
En de chute komt nu.

Het aansnoeren van kogels.
Het wild over de schouder.

Het vellen van bomen.
De ongenadige valtijd.

Als je eenmaal op die woorden gespitst bent, dreigt het gevaar dat ze al te zeer gaan domineren en je geneigd bent alleen maar alle ‘val’ te verzamelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor een gedicht als het bovenstaande, waarin je je best moet doen om niet die zes valwoorden, maar de die woorden overstijgende inhoud centraal te stellen. Het is een valkuil die Crebolder kennelijk bewust voor lief neemt.

Je had je kunnen voorstellen dat Crebolder nog een stap verder gegaan was en deze vorm van taalspel gebruikt had om een doorlopend, min of meer samenhangend verhaal te vertellen. Dat doet ze niet, de gedichten staan los van elkaar en kennen een veelheid aan onderwerpen, waarbij het voor de lezer een aardige sport is om te achterhalen van welk woord ze uitging om een betekenisveld te creëren. Was dat in het volgende ‘beviel’, ‘valgordijn’, of ‘valwild’?

Onze overgrootmoeder stierf
toen ze voor het eerst beviel.

De landerijen waren omsloten
door water en rietpluimen.

De min nam plaats achter
het valgordijn en de schuifdeur.

De wielen van het rijtuig hadden
iets wolligs geraakt. Het valwild

bleek een kleine knuffelvos,
niet veel ouder dan het bakerkind.

De verre familieherinnering die hier wordt verteld, is gemakkelijk te relateren aan het gedicht over de Hedwigepolder elders in de bundel: ‘Uit schorren gestoken kleigrond/ wil niet voetstoots buitengaats.’ Het is voor Crebolder, die in de buurt geboren is, bekend terrein.
In haar beste gedichten slaagt Crebolder erin een bepaald geheim intact te laten. Waar dat niet gebeurt, zij alleen maar beschrijft, kun je hoogstens spreken van vaardig maakwerk, zoals in het gelegenheidsgedicht dat zij schreef voor de Nederlandse, later tot Belg genaturaliseerde componist, pianist en romanschrijver Carl Smulders (Maastricht 1863 – Luik 1934). (Alle in het gedicht gegeven informatie is hier gemakkelijk terug te vinden.)

Hoor hoe zijn vingers vallen
na het doorsnijden van de pezen.

Luister hoe het timbre wordt omgebogen
door zijn vinding van de pédale expressive

De valaanslag van zijn pen
baart vier romans in het Frans.

Het vader-zoonconflict echoot
in de groeven van zijn Cantilène.

Je had een vrouw, geen kind. Ik heb
een gedicht voor jou geschreven.

In het gedicht waarin zij haar eigen vallen (geschept door een auto, gevallen met de fiets) memoreert, stelt zij: ‘Tussen valincidenten kabbelden/ de jaren als een mak interval’. Voortdurend is er de suggestie dat al dat vallen vooruitloopt op die laatste, definitieve val die het einde zal zijn.
In een recent radio-interview maakte zij duidelijk dat na het eerdere Vergeten de bundel Vallen het tweede deel is van een cyclus die zal eindigen met een bundel over verdwijnen of vervluchtigen. Ik kijk er naar uit, mits Crebolder belooft ook daarna nog gewoon te zullen doorschrijven. Ik heb zelden een bundel gelezen die mijn aanvankelijke scepsis zo snel in enthousiasme kon doen verkeren.

****
Emma Crebolder-van der Velde, geboren in 1942 te Sint-Jansteen in Zeeuws-Vlaanderen, thans woonachtig in Maastricht, studeerde eerst Duitse taal- en letterkunde en vervolgens Afrikaanse talen en Bantoeïstiek, hoofdvak Swahili. Zij is sinds 1994 vaste medewerker van Hollands Maandblad en publiceerde ook in De Gids, Maatstaf, Tirade en Het liegend Konijn. Crebolder was de eerste officiële stadsdichter binnen het Nederlandse taalgebied, en wel voor Venlo in 1993. Haar stadsgedichten werden gebundeld in Weerkaatst in de stroom (Prometheus, 2003). Verder verschenen o.a. Zwerftaal (Bert Bakker,1995), Toegift (IJzer, 2006) en Vergeten (Nieuw Amsterdam 2010).

Geplaatst in Recensies.