Gedichten

Ooit
 
In deze zee van wol
laat ik me leiden
door die kleine kapitein
die keffer die bevelen geeft
braaf golf ik mee van rechts
naar links en terug naar rechts
het lam rukt ongeduldig
aan mijn spenen
 
Ik, die beter weet
sta niet aan wal
maar midden tussen
slaapwekkend blatende
weigenoten
 
De draden in mijn brein
breien onzichtbaar
een averechts patroon
 
Ooit word ik ram
of schaapshond
ik blijf niet meegaan
met de eb en vloed
van scheepswol
 

Moeten
 
Het kleed hangt over
de tafel staat op
poten maken indruk
op het kleed
 
Kijk: daar hoort hij
te staan, de tafel
 
Laat dat
rusten
 
Vezels mogen terugveren
als gras met madeliefjes
 

Het schuurt wel
 
Bij voorkleur blauw
in verband met het interieur
je zit wel vast
aan zo’n donkergroen lapje
 
Niet geschikt voor baklagen
wel voor de rest
van de vaat, van glazen tot borden met
gestolde gesmolten kaas
 
Aardappelovenschalen
de rvs gootsteen (al zal dat wel krassen
geven. Wie kan het wat schelen?
Mijn moeder misschien, maar ik ben
mijn moeder niet of toch een beetje
dat schuur je er niet zomaar af)
 
Niet vaak genoeg de oven en
het gasfornuis, resten kattenvoer
op de keukenvloer
kaarsvet van het tafelblad
 
In de laatste levensfase
ook losgelaten op bril
en porselein

Geplaatst in Gedichten en getagd met .