Maria de Groot – Venetiaanse gedichten

Het dubbelleven op de brug

door Levity Peters

Het was een onverwacht weerzien na lange tijd. Ze leefde nog, en zo enthousiast was ik, dat ik de afstand die er wellicht tussen ons is, even vergat. Zoals oude vrienden elkaar in de ogen kijken, zoekend naar zowel wat verdwenen is, als naar dat wat bleef, begon ik de bundel Venetiaanse gedichten te lezen. Ik kon er niet mee stoppen.
O ja, er was veel veranderd sinds ik had kennis gemaakt met haar werk. Ik zocht het te verifiëren, moest nog een dikke dichtbundel van haar in huis hebben, maar ik kon hem niet vinden. Jammer. Zij was mij bijgebleven als een modernistische dichteres. Eén van de eersten die ik kon waarderen. Ik was achttien jaar, had de kerk vaarwel gezegd, maar vond bij haar flarden van het geloof dat zich niet zo gemakkelijk afschudden liet. Nuchtere gedichten schreef ze, waaruit soms een gedreven zin mij binnen waaide.
Dat ik haar bundel heb bewaard, had niets van doen met sentimentele gehechtheid aan het geloof, maar alles met de manier waarop zij het in haar gedichten geïntegreerd had. Ik ervoer haar werk als integer.

Dat is het nog steeds. Het is wonderlijk. Haar gedichten ademen een koele distantie die soms aan Ida Gerhardt doen denken, en daaruit maakt zich keer op keer ontroering los. ‘Magnificat’, het uit 36 delen bestaande laatste gedicht van de bundel, eindigt zo:

Magnificat sterren, besneeuwde planeten,
oppermachtige storm, najaarsregens,
platanen als vorsten, weldoende kamille,
ik hoor jullie weeklacht, beaam
je met reden: Magnificat.

Niet voor niets staat deze strofe op de binnenflap van de bundel vermeld. Het hele ‘Magnificat’ ademt een gedrevenheid die je zelden tegenkomt. Het is moeilijk uit te leggen wat het is dat je meevoert. Bij muziek is het te herkennen als een stroom, in de beeldende kunst als een vonk, maar het is iets immaterieels, en laat je met de mond vol tanden staan wanneer iemand anders het niet voelt, het niet ziet. Toch is dat het wat mijns inziens de essentie van kunst uitmaakt. In dit geval woordkunst.

De bundel begint met de reeks ‘Commedia dell’ arte’, met hoofdzakelijk sonnetten. Sonnetten beoefen je als ambacht, maar voor Maria de Groot blijken ze geen keurslijf, zij beweegt zich er gemakkelijk in. Betrokkenheid en distantie gaan hand in hand, van de maskerade die in deze reeks wordt beschreven weet zij zowel het spel, als de dreiging op te roepen:

De gondelier

De zwarte gondel en de gondelier
in zuiver zwart. Alleen een witte kraag
prijkt rond zijn hals: hoe die het masker schraagt
waaruit een snavelneus als van een gier.

Waardig beweegt hij over de rivier,
de eenzame, het schip een sarcofaag
waarin de dood de leegte ondervraagt:
wie is het die vandaag moet sterven hier?

De dag. Hij wordt in koepels opgebaard,
zijn lichaam door de goudglans van de zon
gekust met liefde ongeëvenaard –

totdat het donkert zoals het begon.
Onverstoorbaar over het water vaart
de gondelier die alle tijd vergaart.

Dit is niet uit de tijd, dit staat buiten de tijd. Het ritme van het gedicht komt prachtig overeen met een plechtstatige tocht over water, gedragen in een wereld die zich niet herkennen laat. De bijbel is niet ver weg: ‘totdat het donkert zoals het begon.’ Daarmee zijn we in Genesis, het Joods/Christelijke scheppingsverhaal.

Hoe sterk het geloof in haar werk aanwezig is, laat zich aan een aantal titels aflezen: ‘Storm op het meer’, ‘Kindermoord in Bethlehem’, ‘Drie koningen’, ‘Maria Magdalena’, ‘Ark van Noach’. Toch zijn het juist deze gedichten die op mij nogal ‘bedacht’ over komen:

Storm op het meer 1

Hier woedt de storm, kapseist
het schip waarin hij is
door wateren omlijst.
Hij spreekt. Aquamarijn
de rust waarin wij zijn.
Wie is die ons dit wijst?

Het verschil met de gedichten die niet in ‘Het Boek’ geworteld zijn, is opvallend. De door de liturgie geïnspireerde gedichten lijken invuloefeningen. Het materiaal, in zoveel jaren verzameld, ligt voorhanden, krijgt hooguit een nieuwe ordening. Maria de Groot is theologe, en dat zit de dichteres soms in de weg, al is zij zeker geen aangepaste, blind gelovige. In haar ‘Magnificat’ schrijft zij in strofe 32: ‘Tweestrijd toegestaan./ Nee zeggen tegen de Ene.’

Haar omgang met het leven als gelovige,  laat zich voor mij het helderst lezen in ‘Adagio’:

Adagio

Ik woonde op de brug van de frambozen
en mocht daar in de nacht de sterren tellen.
Ik kon hun aantal in het water lezen.

Zij hadden mij voor deze taak gekozen
omdat ik verder durfde overhellen
dan zij die als de dood de diepte vrezen.

Soms wist ik niet meer waar ik was gebleven,
begon mijn arbeid, met geduld bemeten,
opnieuw te midden van de glinsteringen.

Ik ben alleen. Ik lijd een dubbel leven.
Ik kan bij dag de vruchten niet vergeten
die in de duisternis te rijpen hingen.

Dit vind ik al heel mooi, maar ik kom weer terug bij het ‘Magnificat’, geïnspireerd door het gelijknamige werk van de geniale Venetiaanse componist Claudio Monteverdi, en voor mij het summum van deze Venetiaanse gedichten.
In de Aantekeningen staat de complete tekst van zijn Magnificat, zowel in het Latijn als in de Nederlandse vertaling.

1

Over het maanveld de maaiers.
Macaber en zonder woorden.
Niets van het licht dan de stoppels.
Nergens een blijvende orde.
Alles is onbemind.

2

Uit grotten glijdt tevoorschijn
de sloep geladen met de vonken,
zaaigoed voor de akker tijd,
de blauwe irissen, de roodstaartvogels
een eenzaam meer dat spiegel wordt.

11

Een zwaard door mijn ziel.
Grievend. Pijn als uilen
tegen het nachtraam, zeldzame
wachters. Hun roep gebroken.
En ik in tranen.

(Wellicht ben ik hier te kritisch, maar één uil tegen het nachtraam had ik geloofwaardiger gevonden. Maar misschien is het verschillende malen gebeurd, al kun je dat uit de tekst niet opmaken.)

In deze reeks lijken de theologe en de dichteres min of meer in evenwicht. Het heeft niet geleid tot een perfect, maar wel tot een levend gedicht, wat, mijns inziens, veel belangrijker is. Niet alleen haar liefde voor de natuur komt in deze reeks tot uitdrukking, ook die voor de wereld, voor de mens die lijdt. Ze is geraakt door de mens die zich voor anderen opoffert. Geraakt door de wreedheid die zij overal ziet, bij dieren en bij mensen. En ze aanvaardt haar dubbelheid; het gevecht tegen de wereld zoals die is, en de overgave aan het leven zoals zich dat aan haar voordoet, in het besef dat het goed is, ook al ontgaat haar het waarom.

***
Maria de Groot (1937) studeerde theologie en Nederlands in Amsterdam en promoveerde op het Evangelie naar Johannes. Als dichteres debuteerde zij in 1966 met Amsterdams getijdenboekje. In 2008 publiceerde zij haar twintigste bundel: Psalmen van een vrouw (uitg. Ten Have).
Zij deelt haar geloofs- en levensinzichten in haar ‘Theologische Werkplaats’ in Woudsend.

Geplaatst in Recensies.