Miriam Van hee – In plaas van die stilte

En mag my woorde nie faal nie

door Joop Leibbrand

De Zuid-Afrikaanse dichter Daniel Hugo (1955) is niet alleen de auteur van een flink aantal eigen poëziebundels, dit jaar verscheen met Hanekraai zijn veertiende, hij vertaalde ook gedichten van Gerrit Komrij (Die elektries gelaaide hand, 2005), Herman de Coninck (Die lenige liefde, 2009) en Rutger Kopland (Onder die appelboom, 2010). Hij doet daarmee voor de bekendmaking van Nederlandstalige poëzie in Zuid-Afrika goed werk, want eigentijdse bundels uit de Lage Landen komen er niet of nauwelijks in de handel, simpelweg omdat Nederlands er niet (meer) gelezen wordt. Net zo min trouwens als te onzent het Afrikaans, en dat is dus in dubbel opzicht jammer.
Uit de eerdere vertalingen bleek al dat Hugo een verstandige voorkeur heeft voor toegankelijke poëzie en daarom is de keuze voor Miriam Van hee een logische voortzetting van de serie die hij heeft opgezet, ook al omdat zij in Zuid-Afrika niet helemaal onbekend is: zij trad er enkele jaren geleden o.a. op in Stellenbos.

Met 55 gedichten biedt de tweetalige uitgave In plaas van die stilte een mooi overzicht van Van hee’s poëzie. Hugo koos uit alle acht bundels, waarbij hij het accent legde op achter de bergen en de bramenpluk. Met de vertaling had hij het relatief makkelijk, omdat Van hee in haar vrije verzen zeer spaarzaam gebruik maakt van poëtische middelen en daarbij een idioom hanteert dat dicht bij de gewone spreektaal ligt. Eigenlijk was zijn belangrijkste opdracht zo letterlijk mogelijk te vertalen, omdat dat de beste garantie gaf de voor haar poëzie zo kenmerkende combinatie van subtiliteit en intensiteit te bewaren. Van hee is de meesteres van de onnadrukkelijke suggestie en een vertaler dient dat het best door die niet zelf met vertaalvondsten te willen overtreffen.
Hugo begint met een gedicht dat én voor Van hee én voor de vertaler bijna programmatisch is, ‘vanavond’, uit het karige maal (1978):

vanavond

Vanavond kom ik je halen
ook al zullen mijn woorden, zelfs
mijn gebaren, ook dit keer er nauwelijks
in slagen de grenzen te verleggen

Vanaand kom ek jou haal
ook al sal my woorde, selfs
my gebare, ook hierdie keer skaars
daarin slaag om die grense te verlê

[…]

En mochten mijn woorden niet falen
vanavond niet.

En mag my woorde nie faal nie
nie vanaand nie.

[…]

Iets moeten wij overhouden
van het vroegere lichte heen
en weer lopen ‘s ochtends
onder de verbaasde bomen.

   Iets moet ons tog oorhou
van ons vroeëre ligte heen
en weer geloop soggens
onder die verbaasde bome.

In Hugo’s bloemlezing valt uitstekend de ontwikkeling te volgen die Miriam Van hee als dichteres heeft doorgemaakt. De eerste bundels bevatten veel stemmingspoëzie rond emoties van verlies, weemoed, verlangen en onzekerheid en dat in een sfeer van stilte, afwachting en leegheid. Regelmatig zijn er regels die aan de wereld van Lodeizen doen denken: een vraagloze vraag als ‘waar lig je nu en luister’, of aarzelende constateringen als ‘langzaam glijden hier de uren’, ‘een stilte/ onoverkomelijk/ als tussen heel oude bergen’. Er lijkt haast sprake van een soort zielsverwantschap.
Vanaf winterhard (1988) wordt de toon anders. Het zachte, het breek- en kwetsbare maakt plaats voor een grotere beschouwelijkheid, ingegeven door een andere blik: ‘zoals ze in de etalages/ achterdochtig naar zichzelf kijkt/ en zich voorstelt hoe anderen/ haar zien […]’ (‘soos wat sy in die winkelvensters/ agterdogtig na haarself kyk/ en haar voorstel hoe ander/ haar sien […]’).
De poëzie wordt opener, minder op zichzelf gericht, de buitenwereld wordt belangrijker en in toenemende mate als metafoor geïncorporeerd. De persoonlijke invalshoek blijft, maar die bestaat vooral uit de handreikingen die zij de lezer biedt aan fundamentele levensinzichten te komen, die niet kant en klaar geformuleerd worden, maar waar ze wel de bouwstenen voor aanlevert: ‘en laat, wat onbereikbaar lijkt/ zo blijven, want alles heeft een prijs:’, schrijft zij in het gedicht ‘de bramenpluk’.

Door het mooie overzicht dat In plaas van die stilte biedt is de bloemlezing zeker ook voor Nederlandse lezers interessant. Dat zou nog meer het geval geweest zijn, als de Nederlandse gedichten niet ontsierd zouden worden door talloze slordigheden. Daniel Hugo mag daar dan in zijn eigen nieuwe bundel laconiek over doen – ‘A, wat is ‘n bundel verse sonder/ ‘n setfout of twee?’ (in ‘Heil die leser’, geschreven voor Protea-uitgever Nicol Stassen) -, het is in feite een daad van onfatsoen jegens degene wiens werk vertaald wordt.
Jammer.

***
Miriam Van hee (1952) studeerde Slavische Filologie aan de Rijksuniversiteit in Gent. Zij debuteerde in 1978 met het karige maal en daarna volgden binnenskamers (1980), ingesneeuwd (1984), winterhard (1988), reisgeld (1992), achter de bergen (1996), de bramenpluk (2002) en buitenland (2007).
Haar werk werd eerder vertaald in het Engels, Spaans, Russisch, Frans, Duits, Litouws, Zweeds, Fins en Pools. Maart 2009 had Maarten Gulden voor Meander een interview met haar.
De Zuid-Afrikaanse dichteres en critica Zandra Bezuidenhout wijdde aan Daniel Hugo’s vertaling van de bundel een uitgebreide beschouwing. Zij geeft een mooie analyse van de poëzie van Van hee en gaat uitvoerig in op de vertaalproblematiek.

Geplaatst in Recensies.