'Ik was al dichter voor ik daadwerkelijk ging schrijven'

Miriam Van hee studeerde Slavische Filologie aan de Rijksuniversiteit in Gent. Ze debuteerde met de dichtbundel Het karige maal in 1978. Haar werk werd vaak onderscheiden. Ze schrijft niet alleen goede oorspronkelijke poëzie, maar vertaalt ook veel gedichten, onder andere van de Russische dichteres Anna Achmatova. De populariteit van de poëzie van Miriam Van hee lijkt steeds te groeien. Zo werd haar laatste bundel Buitenland  maar liefst vijf maal herdrukt.

Foto: Kris Ervynck

Waarom bent u gedichten gaan schrijven?
Dat is moeilijk te zeggen. Ik denk dat ik al een dichter was voor ik daadwerkelijk ging schrijven. Intussen weet ik dat ik het wel kan, als ik heel erg mijn best doe. Ik heb het gevoel dat het mijn plicht is om goede gedichten te schrijven. Het is niet mijn broodwinning, en eigenlijk ook weer wel, alleen niet letterlijk. In het Frans kun je zeggen: gagner sa vie. Dat bedoel ik. Maar hoe het begonnen is? Toen ik voor het eerst probeerde een gedicht te schrijven heb ik wellicht aangevoeld dat het iets was wat mijn leven bijzonder zou kunnen maken, en dat ik hiermee moest doorgaan. Niet in de eerste plaats om respect en aandacht te verwerven, maar om een waardevol leven te leiden.

Wanneer bent u tevreden over een gedicht?
Met de jaren duurt het steeds langer voor ik een gedicht goed vind. Dat lijkt me logisch. Ik wil geen gedichten publiceren die niet hetzelfde niveau halen als de meest recente. Je hebt jezelf als dichter beter leren kennen – onder meer door het schrijven – en je vakmanschap is hoe dan ook toch groter geworden. Ik denk nu veel meer na over elke regel dan vroeger en ik voel ook veel sneller aan wanneer iets overbodig is of niet klopt.

Wat is het verschil tussen uw huidige poëzie en uw eerste gedichten?
Grofweg gezegd is er een evolutie naar een grotere afstandelijkheid, bedachtzaamheid. Mijn eerste gedichten blijven wel eens steken in het anekdotische of geven alleen een bepaalde sfeer weer, terwijl er nu meer ‘inhoud’ is, vind ik zelf. En er staan in mijn vroege gedichten nogal wat verzuchtingen, wat te veel zelfbeklag misschien. Ik ben gewoon niet zo romantisch meer. Er is meer vreugde en geluk in de laatste bundels.

U heeft al vaak literaire prijzen gewonnen, maar op welke prijs of onderscheiding bent u het trotst?
De eerste Nederlandse prijs was toch wel heel bijzonder, de Jan Campertprijs – als ik het goed heb was dat 1989. Precies omdat je plots beseft dat je ook buiten de landsgrenzen gelezen wordt. Ik herinner me dat na die bekroning ook de binnenlandse aandacht voor mijn werk opmerkelijk toenam. Maar dat er van mijn laatste bundel Buitenland vijf herdrukken kwamen, ervaar ik zelf toch ook als een bekroning.

Kunt u verklaren waarom uw gedichten erg in de smaak vallen?
Misschien omdat de onderwerpen weinig vergezocht zijn en de taal zo eenvoudig en direct mogelijk is. Maar de professionele lezer valt het meestal wel op dat veel van mijn gedichten op verschillende niveaus kunnen gelezen worden en dat vorm en inhoud intens verstrengeld zijn, wat wellicht de muzikaliteit uitmaakt van mijn gedichten.

Uw poëzie is in vele talen vertaald. Hoe is het om uw gedichten in vertaling te lezen?
Natuurlijk ben ik maar een paar talen machtig. Bij de Franse, de Engelse en de Russische vertaling heb ik inspraak gehad. De respectieve vertalers hebben met mij gecorrespondeerd, mij vragen gesteld en keuzes voorgelegd. Dat kwam in alle gevallen de vertaalde versie ten goede, denk ik. In het Litouws en het Fins moest ik vertrouwen hebben in de vertalers, want ik kan mijn gedichten in die talen met moeite herkennen. Maar in het Spaans en het Zweeds is de vertaling gebeurd in samenwerking met een bevriende Nederlandstalige vertaler, zodat ik me daar weinig zorgen om heb gemaakt, de ernst en de kennis van beide vertalers indachtig.

In welke andere taal komen uw gedichten het best tot zijn recht?
Tja, dat is moeilijk te zeggen omdat alleen het Nederlands mijn moedertaal is. Ik denk dat waar de kloof tussen de schrijf- en de spreektaal het kleinst is, mijn gedichten het minst veranderd zijn in de vertaling. De Russische poëtische taal is dermate gelaagd dat, als je mijn gedichten letterlijk zou vertalen, het voor de Russische lezer misschien geen poëzie zou zijn, omdat hij dergelijke sobere en toch exacte – naar mijn gevoel althans – taal niet als poëzie herkent. Er komen in de Russische versie bijvoorbeeld veel meer deelwoorden voor dan in de Nederlandse.

U vertaalt zelf ook gedichten. Wanneer is een vertaling van een gedicht voor u geslaagd?
Als ze hetzelfde effect bij de lezer teweeg brengen. Als iets van de poëtische taal kan worden gerealiseerd in de doeltaal, het ritme bijvoorbeeld, dat vind ik zelf erg belangrijk. Je moet je als vertaler dienstbaar opstellen en proberen vaststellen wat de dichter van het oorspronkelijke gedicht belangrijk vindt.

Welke dichter zou u graag nog eens vertalen?
Ik zou me wel graag nog eens wagen aan een vertaling van Brodski, maar ondertussen maak ik al een paar jaar deel uit van het Collectief van poëzievertalers dat aan de Gentse Universiteit onder leiding van prof. Thomas Langerak gedichten uit het Russisch vertaalt. Het laatste wat we vertaalden waren gedichten van Mandelstam. Daarvoor hebben we gedichten van Bachyt Kenzjeev vertaald. Maar verder zou ik nog graag Russisch proza vertalen, Fazil Iskander, Joeri Kazakov en Joeri Trifonov bijvoorbeeld. Van hen is destijds maar een heel klein deel in het Nederlands vertaald.

Er was toch sprake van dat u de nieuwe stadsdichter van Gent zou worden?
Ik ben uiteindelijk niet ingegaan op het aanbod van de Stad Gent. Mijn motivatie om gedichten te gaan schrijven over de opening van een nieuw museum of de heraanleg van een plantsoen was toch niet groot genoeg. Daarbij kwam dan nog het schamele honorarium dat de Stad Gent me daarvoor aanbood. In Antwerpen schijnt een stadsdichter het tienvoudige te krijgen. In dat geval zou ik nog eens goed nagedacht hebben alvorens te bedanken voor de eer.

Denkt u dat u als stadsdichter andere gedichten zou hebben geschreven?
Dat is dus het probleem. Ik denk niet dat ik goed ben in andere dan mijn gewone gedichten. Ik heb wel eens gedichten op verzoek geschreven maar zulks kost me buitengewone inspanningen. IJdelheid doet me ingaan op zo’n verzoek, maar algauw denk ik dan ‘waar ben ik in ‘s hemelsnaam aan begonnen, hoe kom ik hier weer van af?!’. Terwijl ik, eerlijk gezegd, wel vind dat een dichter dat zou moeten kunnen, het hoort tot zijn métier.

Wanneer kunnen we een nieuwe dichtbundel van u verwachten?
Nog niet zo gauw. Misschien zou ik, als ik vaker probeerde te schrijven, meer gedichten kunnen produceren, maar het niveau zou toch niet stijgen, meen ik. Het lijkt erop dat ik niet meer te zeggen heb dan zo’n 35 gedichten om de vier of vijf jaar. Ik kan daar zelf wel vrede mee nemen.

Geplaatst in Interviews.