Klassieker 163: Jean Pierre Rawie – Voorgoed

door Eric van Loo

Meander Klassieker 163

De herfst is een dankbaar onderwerp in de poëzie. Bloem wist er wel raad mee. Om nog maar te zwijgen over Rilke. Voor Eric van Loo is ‘Voorgoed’ van Jean Pierre Rawie het ultieme herfstgedicht. Alleen die eerste regels al…

Voorgoed

Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden,
maar ze ontgaan ons zoals ieder jaar,
want wij zijn blinden in een wereld waar
het blijvende niet geldt, alleen het gaande.

Wij tastten in het duister naar elkaar,
een oogwenk dat wij ons onsterflijk waanden,
en zijn niet dan elkanders nabestaanden;
het bed is ons niet nader dan de baar.

Geen troost valt aan het najaar te ontlenen,
de bladeren verworden in de goot
en de gelieven zijn voorgoed verdwenen.

Wie weet is ons vergund pas metterdood,
door vreemde hemellichamen beschenen,
iets vast te houden wat ons niet verstoot.


Jean Pierre Rawie (1951)

Uit: Geleende tijd (1999)
Uitgever: Bert Bakker

Eerste strofe

De beste gedichten bestaan uit één regel. Elk najaar, als de bladeren beginnen te kleuren, zoek ik dit gedicht van Jean Pierre Rawie weer op. Het is even zoeken, want de titel ‘Voorgoed’ dekt de lading niet echt. Niet voor niets is het op internet ook te vinden onder zelfgebreide titels als ‘Herfst’ en ‘Najaar’. Maar goed, die eerste regel dus. Het is een statement dat er niet om liegt. Niks geen somberheid als de blaadjes gaan vallen. ‘Dit is de herfst, dit zijn de mooiste maanden.’ Aan die ene regel heb ik vaak genoeg. Ik zoek met de bundel onder de arm het bos weer op om te genieten van het verkleurende en vallende blad. Al is het maar om de dichter, die meent dat deze ‘mooiste maanden’ ons telkens weer ontgaan tegen te spreken.
De eerste regel roept direct het beeld van bontgekleurde herfstbladeren op, echter zonder deze met zoveel woorden te noemen. Pas in de derde strofe worden de bladeren met name genoemd, waarbij het lidwoord ‘de’ een impliciete verwijzing naar de (weggelaten) bladeren aan het begin van het gedicht suggereert.
De tweede helft van de eerste strofe spreekt direct aan, maar is nauwelijks te bevatten. ‘In een wereld waar het blijvende niet geldt, alleen het gaande’ lijkt te verwijzen naar de waan van de dag. Er is tegenwoordig weinig oog meer voor blijvende waarden, men holt van hype naar hype. Zou de dichter het in 1999 zo bedoeld hebben? De schitterende paradox is hier, dat gesuggereerd wordt dat wij geen oog hebben voor de blijvende waarde van de natuur, terwijl juist de herfstmaanden meer dan welke ook de vergankelijkheid van het leven tonen. ‘Ontgaan’ is het kernwoord in deze strofe, en wordt benadrukt door het binnenrijm. Met een beetje goede wil kunnen we ‘ontgaan’ ook dubbelzinnig opvatten: de maanden gaan van ons weg, blijven niet bij ons.
Vaak heb ik ‘blinden’ proberen op te vatten als ‘niet passend bij’, ‘niet deelnemend aan’ de wereld. Dat levert duizelingwekkende tegenstellingen op. In ‘de wereld’ telt het blijvende niet, maar ‘wij’ (de gelieven, dichters?) willen niet aan deze wereld deelnemen en haken naar het blijvende…

Tweede strofe

Het begin van de tweede strofe staat – als enige – in de verleden tijd. Ik vrees dat dit onder invloed van rijmdwang is gebeurd. Bij veel dichters blijkt de eerste versie van een gedicht in de verleden tijd te staan, zeker als er een anekdotisch element is. Bij het herschrijven wint het gedicht vaak aan directheid, als het wordt omgewerkt naar de onvoltooid tegenwoordige tijd. Mijns inziens worden ook hier de eerste twee regels van de tweede strofe veel sterker als ze in de tegenwoordige tijd worden geformuleerd:

Wij tasten in het duister naar elkaar,
een oogwenk dat wij ons onsterflijk wanen,

Rawie zou het halfrijm ‘maanden/wanen’ in een streng sonnet niet accepteren. Maar er valt ook iets voor te zeggen dat de verleden tijd hier een terugblik suggereert: de ‘oogwenk’ verwijst meer naar een ogenblik, moment dat heeft plaatsgevonden. Aan een goed gedicht kan je niet zomaar morrelen.
De formulering ‘en zijn niet dan’ komt mij wat stroef over. Logischer klinkt: ‘en zijn niets dan elkanders nabestaanden’. Daarmee wordt ook de botsing met het ‘niet’ in de regel erna voorkomen.
De laatste regel van de tweede strofe wordt voortgestuwd door een krachtige alliteratie. Typisch Rawie om de liefde (‘het bed’) door de dood (‘de baar’) te laten overschaduwen. In zekere zin is hij een vroeg-oude dichter, die al vanaf zijn eerste bundels de dood in de ogen kijkt. Er is zelfs een bloemlezing met rouwgedichten van zijn hand verschenen (Wij volgen een voor een hetzelfde pad), waarin ook het hier besproken gedicht is opgenomen.

Derde strofe

De melancholieke toon wordt in de derde strofe doorgezet. De bontgekleurde herfstbladeren misleiden ons, want voor je het weet liggen ze als pulp in de goot. Het binnenrijm ‘troost / goot’ werkt hier versterkend. Het gedicht herlezend valt me nu pas op, dat ‘de goot’ het gedicht ondanks de Natureingang een stads referentiekader geeft. Dit past natuurlijk goed in het oeuvre van Rawie, waar de meeste gedichten in Groningen gesitueerd zijn, en de natuur bijna altijd stadsnatuur is.
Het dieptepunt lijkt bereikt te worden in de laatste regel. De ‘wij’ uit de tweede strofe is veranderd in een meer afstandelijke derde persoon. En deze gelieven zijn dan ook nog ‘voorgoed’ verdwenen.
‘Voorgoed’ heeft echter, zeker in de titel, paradoxaal genoeg ook een positieve connotatie. Het woordelement ‘goed’ geeft hoe dan ook een positieve kleur: voor-goed lijkt daarmee al te anticiperen op de betere wereld waarop in de laatste strofe op wordt gezinspeeld.

Vierde strofe

De vierde strofe opent met een ijzersterke regel: ‘metterdood’ is een schitterend gevonden neologisme. Het ruikt naar ‘metterdaad’ , maar gaat natuurlijk heel ergens anders over: als we gestorven zijn, na dit leven. Daarmee krijgt het gedicht toch een onverwacht positieve wending, hoe onzeker en gedroomd het einde ook is. De slotregel lijkt terug te slaan op het verstoten zijn door een geliefde, wat overstegen wordt door iets wat nu nog onkenbaar is: dat ‘wij’ misschien na onze dood iets vast mogen houden wat ons niet verstoot. Ook na de dood lijkt de dichter het ego niet voorbij, door nog steeds iets te willen hebben. Het verlangen eindelijk door iets te worden vastgehouden wordt hier niet genoemd.

Jean Pierre Rawie heeft regelmatig aangegeven, dat het onverbiddelijk voorbijgaan van de tijd het kernthema van zijn werk is. In ‘Vonnis’ spreekt hij kort en bondig over ‘De tijd die alles vroeg of laat ontwricht’. Ook in het hier besproken gedicht is dit een belangrijk element. De ‘mooiste maanden’ uit de eerste regel gaan snel voorbij, twee strofen verder lezen we al hoe de bladeren ‘verworden in de goot’. De verzuchting uit de laatste regel kan vanuit dat perspectief ook gelezen worden als ‘iets vast te houden dat ons niet door de tijd ontnomen wordt’.

Vorm

Het gedicht is geschreven als een klassiek sonnet, met twee rijmklanken voor het octaaf en twee voor het sextet. De regels bestaan uit pentameters, vijfvoetige jamben met afwisselend vrouwelijk en mannelijk rijm. Het rijm in de kwatrijnen is omarmend (ABBA BAAB), in de terzinen zou je dat ook zo kunnen zien (CDC DCD). Rawie heeft vanaf zijn eerste bundel een voorkeur voor vormvaste, rijmende poëzie, waarbij het sonnet een vooraanstaande plaats inneemt. Zowel in Woelig stof (1989) als Onmogelijk geluk (1992) bestaat de eerste afdeling uit louter sonnetten, en lijkt het bijna alsof de tweede afdeling gedichten bevat die helaas geen sonnet zijn geworden. Zoals eerder in deze bespreking opgemerkt is deze strenge vorm tegelijkertijd kracht en zwakte. Bij eerste lezing komt het overtuigend over. De gebeitelde zinnen werken bezwerend. Zo is het en niet anders. Bij nadere beschouwing komen toch zwakke plekken naar voren, of worden we nieuwsgierig naar wat de dichter gezegd zou hebben als hij zich niet zo had laten inperken door rijm en ritme.
De wending van het sonnet is moeilijk eenduidig te bepalen. Er valt iets voor te zeggen deze tussen het octaaf en het sextet te leggen. De eerste regel van het sextet vormt een sterke tegenstelling tot de openingsregel. Anderzijds vindt er juist in de laatste strofe een omslag in de stemming plaats, waarin de neergang die het gedicht vanaf de tweede regel in zijn greep heeft wordt opgeheven.

Auteur

De herfst is bij uitstek het seizoen van Jean Pierre Rawie. In de andere door hem zelf samengestelde bloemlezing Wij hebben alles nog te goed telde ik tien gedichten die zich in de herfst afspelen, drie in de winter en geen enkel gedicht dat duidelijk betrekking heeft op lente of zomer. In deze ‘mooiste liefdesgedichten’ wordt de liefde dan ook weinig van de zonnige kant belicht.
Rawie heeft als geen ander somberheid en zelfbeklag tot kunst verheven. Zowel qua thematiek als qua vormvastheid wordt hij vaak vergeleken met J.C. Bloem (1887-1966), een dichter die al vroeg in zijn leven de dood bezong, maar deze pas laat op zijn pad vond. In de bespreking van ‘Interieur’ in deze reeks Klassiekers wordt gesproken van het ‘romantisch dichterschap van Rawie, waarin er voortdurend sprake is van de spanning tussen enerzijds eenzaamheid, (cultuur-)pessimisme en mislukking, en anderzijds van een haast elitair streven naar een schoonheidsideaal dat past in een bezield verband.’
Een door hem veelgebruikt procedé om de zwaarte van de melancholie te verzachten is dat van de overdrijving, van de uitvergroting. Zo treffen we al in het openingsgedicht van zijn eerste bundel, Het meisje en de dood (1979), de volgende regels aan:

Soms dat je er nog éen verleidt
als je wat met je droefheid leurt;
– je hebt het hoe dan ook verbeurd
en vecht in een verloren strijd:
je hebt ze, en je bent ze kwijt.

Door de mislukking tot in het absurde te overdrijven ontstaat als vanzelf bij de lezer de troostende gedachte ‘zo erg kan het toch niet zijn?’
Zoals hierboven reeds aangegeven, is Rawie in zekere zin een vroeg-oude dichter, die al vanaf zijn eerste bundels de dood in de ogen kijkt. Wat te denken van het motto van Kwade trouw (1986)?:

Ik schrijf maar door aan éen gedicht
waarin ik alles: liefde, jou
en zelfs de dood van kwade trouw
en onzorgvuldigheid beticht.

In dezelfde bundel vinden we de volgende regels:

Ik ben al bijna dood, en ik
zal nooit aan mensen wennen;

Forse taal voor een 35-jarige dichter! Even verderop, in ‘Mismoedig rondeel’ laat hij de volgende twee regels telkens terugkeren:

Ons leven is doortrokken van de dood,
wij hebben alle reden om te klagen.

Inmiddels valt er inderdaad wat voor te zeggen, dat ook het leven van de dichter zelf doortrokken is van de dood, getuige een aantal ernstige ziektes die Rawie heeft overleefd. Maar de meeste hiervan dateren van ná Kwade trouw.

Het hier besproken gedicht ‘Voorgoed’ komt uit de dertien jaar later verschenen bundel Geleende tijd. Het is zowel een liefdesgedicht als een treurzang op het leven, waarin niets veilig is voor het ‘onverbiddelijk voorbijgaan van de tijd’ en bestendige liefde onbereikbaar lijkt. De dichter toont zich gerijpt, en weeft de oude thema’s in een berustende wrok tot een krachtig en door velen aangehaald gedicht.

____

Eric van Loo

Geplaatst in Klassiekers.