Maskers, missers en erkenning

Josse Kok (29) woont in Dordrecht en werkt in een staalmagazijn. In zijn vrije tijd schrijft hij gedichten en treedt op. Begin 2010 is hij aan Poetry Slams mee gaan doen en dat leverde hem een derde plaats op bij het NK Poetry Slam van 2011. Momenteel probeert hij een bundel samen te stellen en gepubliceerd te krijgen. Zijn favoriete dichters zijn Ingmar Heytze, Mark Boog en Menno Wigman.

Josse, je gedichten hebben vaak een groot effect op je publiek. Schrijf je ook echt op effect?
Dat ligt eraan. Sommige gedichten ontstaan vanuit een grap, andere vanuit een verhaal. Toen ik ruim twee jaar geleden begon met Poetry Slam schreef ik veel gedichten over flauwe, makkelijke onderwerpen als seks, lelijke exen en de stoelgang. Tegenwoordig zoek ik het toch meer in de inhoud en hoop ik vooral op langdurig effect. Dat je het na een jaar nog eens leest en denkt ‘O ja, hmm’ of ‘Goh, nou’. Het is sowieso een andere insteek, schrijven voor toevallig publiek of voor bewuste lezers. Eigenlijk schrijf ik nu meer wat ik wil schrijven en is het bijzaak of men het ook wel lust. Terwijl je dit als schrijver wel weer ambieert, anders blijf je zo vreselijk ongelezen. Zo blijft het erg paradoxaal allemaal.

Probeer je je publiek ook wel eens te ontroeren?
Het is mooi als het gebeurt. Maar als je het echt probeert, gebeurt het meestal niet. Het wil wel eens voorvallen, maar dan is dit met name door een zin die ik totaal niet zo had ingeschat. Je moet het allemaal niet forceren, daar komt het een beetje op neer.
Verder schrijf ik eigenlijk vooral omdat het voor mij ejaculerend werkt. Dat klinkt vies, maar stel jezelf eens voor achter treinglas met een hoop woorden en weinig daden. Veel dichters die ik ontmoet heb zijn niet geheel ontoevallig ook bange, semi-autistische wezens die zichzelf niet willen opdringen aan anderen. Maar mocht iemand er zelf voor kiezen je te gaan lezen of beluisteren, dan slaan de sluizen open. Pen, zwaard en al die onzin.

Je oogt niet altijd even serieus, je komt soms nonchalanter over dan hoe je met de poëzie bezig lijkt te zijn. Waar houdt het ‘masker’ op en begint de harde werker, de vechter?
Ik zou harder kunnen ‘vechten’. Ik ben nogal lui van aard en hoop nog steeds dat het mij allemaal aan komt waaien. Ik geloof niet dat mijn nonchalance ten opzichte van de buitenwereld een masker is. Je druk maken doe je maar lekker in je eigen hoofd. Voor mijzelf ben ik een lastpak en een kwelgeest. En terecht.

Hoe belangrijk is erkenning voor jou?
Ik had dit niet verwacht, maar sinds ik de dingen die ik maak naar buiten breng, werkt een compliment soms bevredigend, maar het vergroot ook de twijfel. Negatieve kanttekeningen hebben er misschien wel voor gezorgd dat ik een paar prima gedichten verschrikkelijk hard uit het raam heb gesmeten. Als gedichten erg persoonlijk worden, is kritiek niet zo tof. Daarom schrijf ik ook maar af en toe wat over een eland of een emmer.

Je produceert gigantisch veel, schrijf je elke dag?
Hoe beter het gedicht, hoe sneller het af is, is mijn ervaring. Ik schrijf vijf tot tien gedichten per week, maar daar zit natuurlijk vooral rommel tussen. Als ik echt een gedicht wil schrijven, wordt het een gedrocht. Heb ik er geen zin in en blijven er toch maar dingen spoken, dan zijn ze meestal wat eerlijker. De dingen die je schrijft als je het eigenlijk amper merkt, die al kabbelend elkaar opvolgen, dat zijn bij mij vaak de dingen die kloppen. Een snufje Eureka. Alsof je een Picasso braakt.

Wat is je grootste poëtische misser?
Zware woorden. Grote woorden. Oude woorden. God, wat houd ik van woorden. En beelden, veel. Engelen, demonen, alles moet groots, bombastisch en apocalyptisch. Ik ben met de bijbel grootgebracht en vervolgens vreselijk veel naar naargeestige metal gaan luisteren. Ze hebben één ding gemeen, het kan niet hyperbolischer. Heerlijk. Maar wel erg moeilijk leesbaar op den duur.

Stel je jezelf ultimatums? Denk je weleens aan stoppen?
Ik stel ultimatums, die ik uitstel. Nee dus. Ik wilde eigenlijk ook stoppen met slamwedstrijden, omdat ik dat wedstrijdelement niet echt vond passen bij de uiteenlopende teksten van de deelnemers. Ik vind de overtuiging waarmee men een tekst kan brengen steeds minder belangrijk en de tekst zelf steeds meer. Wat heb ik veel pannenkoeken gezien die met de mystiek van een sekteleider totale bullshit verkochten. Alsjeblieft. Als je niet mompelt, gewoon goed articuleert en je eigen metrum een beetje over kunt brengen, staat een goede tekst op het podium ook als een huis. Acteerschool, m’n kont. Toch heeft het iets, mensen die klappen om wat er uit jouw onwelriekende geest druppelt.

Schrijf je voornamelijk voor jezelf of juist voor de ander?
Ik ben gaan schrijven voor mijzelf. Dat de ander dat inmiddels wellicht leuk vindt, is een onverwachte bijkomstigheid. Een bijkomstigheid die overigens flink uitgebuit dient te worden. Je bestaat immers bij de gratie van een ander.

Geplaatst in Interviews en getagd met .