Ik schrijf poëzie met mijn stem

Schrijfster/filmmaakster Marion Bloem staat met haar nieuwste roman Een meisje van honderd (De Arbeiderspers) weer volop in de belangstelling. Naast romans schrijft ze sinds jaar en dag ook gedichten. Alle reden voor Sander de Vaan om een vraaggesprek met haar aan te gaan.

Marion, als schrijfster geniet je vooral bekendheid vanwege je romans, maar je schrijft ook gedichten. Hoe belangrijk is poëzie voor jou?
Poëzie is erg belangrijk voor me, maar bij poëzie, anders dan bij het schrijven van romans, heb ik nooit een lezer of een doelgroep voor ogen. Het is voor mij te vergelijken met mijn beeldende kunst. Het moet honderd procent voor mijzelf zijn, en als anderen er ook iets aan hebben dan is dat meegenomen. Maar ik kan wel de keuze maken over een bepaald thema te schrijven. Vroeger vond ik het leuk als iemand me een onderwerp gaf en ik dan maar moest zien dat ik er een gedicht over maakte, als uitdaging. Ik had geen pretenties, behalve dan dat ik iets wilde schrijven waarover ik zelf tevreden zou zijn. Het ging mij er dus ook niet om het eindproduct te bewaren en te koesteren.

Wat voor soort lezer heb je bij het schrijven van een roman voor ogen?
Dat is bij elke roman weer anders, maar bij volwassen romans wel op de eerste plaats iemand als ikzelf. Mijn debuut werd het boek dat ikzelf had willen lezen toen ik op de middelbare school zat, boeken voor mijn lijst las en mezelf noch in de koloniale literatuur, noch in de Hollandse literatuur kon vinden. Soms wil je iets lezen waarin je je eigen specifieke sfeer en emoties herkent. Ik begon mij af te vragen waarom Zuid-Amerikaanse literatuur mij vertrouwder overkwam dan de Nederlandse, en besefte dat de archetypen in de Nederlandse literatuur niet per se die van migranten hoeven te zijn. Ik schreef tijdens mijn studie als psychologe pro deo verhalen voor Turkse en Marokkaanse kinderen op scholen waar men met verouderde lesprogramma’s werkte. Je bent dan bewust bezig met je doelgroep.
Mijn roman Meer dan mannelijk is een boek over lust en over het effect dat prostaatkanker en de behandeling ervan op een man kan hebben. Via een liefdesverhaal probeer ik dat invoelbaar te maken. Ik wilde het boek schrijven dat ik zelf over dit thema graag zou lezen, maar daarbij hou ik in de gaten dat de gemiddelde lezer niet weet wat prostaatkanker is en nog minder weet van het effect van behandelingen van deze ziekte, die ernstige vormen aanneemt als de man een nog jonge leeftijd heeft zoals mijn hoofdpersoon in deze roman.
Bij Een meisje van honderd wilde ik meer dan 100 jaar geschiedenis van Indonesië vertellen in het licht van de veranderende wereld vanuit het oogpunt en de ervaringen van een Indische familie aan lezers die de feiten (nog) niet (precies) kennen. Om dat te doen moest ik ervoor zorgen dat het verhaal op zichzelf meeslepend zou zijn, en daarvoor koos ik de helderziende Moemie uit, het meisje dat een zelfmoordritueel van een Balinees vorstenhuis overleefde. Om te zorgen dat de lezer die feiten aankan, moest ik ervoor zorgen dat het wel en wee van de hoofdpersoon boeiend genoeg zou zijn. Ik schrijf aldus een boek in de vorm zoals ik zelf een boek graag zie, maar hou er ook veel rekening mee dat de gemiddelde lezer over deze eeuw in dat deel van de wereld niet zo veel weet als ik, en ook dat de gemiddelde lezer niet bekend is met de samenhang tussen wat er in Indonesië gebeurde sinds de onafhankelijkheid en de wereldpolitiek waarbij de grote mogendheden elkaar proberen te bespelen.
Elke roman schrijf ik voor iemand met dezelfde smaak als ik, d.w.z. iemand die meer wil dan alleen een spannend verhaal, iemand die na alfoop van een boek er nog een tijd mee rond wil blijven lopen, en die er nog over wil nadenken, omdat het boek de kern van ons bestaan raakt, en het boek zodanig koestert dat hij/zij anderen er vervolgens deelgenoot van wil maken, iemand die ervan geniet de personages uit het boek te koesteren. Kortom: iemand die graag een boek leest dat als hij/zij het dichtslaat het jammer vindt dat het boek uit is. Ik schrijf voor mensen die in een andere wereld willen verdwijnen en zich graag laten meeslepen, maar in de inhoud bovendien iets van zichzelf, van hun leven, van hun emoties of van hun ontstaansgeschiedenis gereflecteerd willen zien..

In hoeverre blijven de personages na voltooiing van een roman ook in jezelf ‘rondlopen’?
Meestal blijven ze in mij ‘rondlopen’ totdat ik met een volgend project begonnen ben, maar nu, na Een meisje van honderd, merk ik dat mijn hoofdpersonen zich niet door nieuwe projecten laten verdringen. Het boek grijpt niet alleen de lezer aan, zoals ik telkens weer hoor, maar ook mijzelf, en de personages, met name de hoofdpersoon Moemie, blijven bij me. Dat is lastig, omdat de niet-Indische roman die ik wil voltooien daardoor niet opschiet en ik merk dat ik liever filmprojecten op de rails zet waarin het Indische een grote rol blijft spelen.

Waar moet een goed gedicht volgens jou aan voldoen?
Een gedicht moet net als een schilderij raken, vervoeren, je van je stuk brengen of blij maken.

Kun je een gedicht van een andere schrijver noemen dat je in het bijzonder raakt?
Ik houd van dichters met een ogenschijnlijk lichte toon die je echter diep raakt, zoals (wijlen) Eddy van Vliet en (wijlen) Herman de Coninck. Maar ik lees, afhankelijk van mijn stemming, dichters uit vroegere tijden en van nu en (vertalingen) uit diverse culturen. Ik lees al gretig poëzie sinds ik verplicht gedichten moest lezen op de middelbare school en ben altijd op zoek naar nieuwe dichters. Er zijn ook Engelstalige dichters die ik graag lees. Als puber las en herlas ik Gerrit Achterberg, Lucebert, maar ook Franstalige dichters omdat ik die klanken zo mooi vond. Ik schreef zelfs af en toe zélf ook een gedicht in het Frans, wat ik nu niet meer zou durven. Ik heb erg veel bundels van de meest uiteenlopende dichters en ik zoek in mijn boekenkast totdat ik die bundel met dat ene gedicht vind dat ik voor de dag wil koesteren.

Is poëzie beter dan proza geschikt voor jou om ingrijpende gebeurtenissen in je omgeving te verwoorden en verwerken?
Of het beter geschikt is, weet ik niet, maar het is een snellere manier van communiceren dan een roman. Mijn gedicht ‘Papa’, dat ik onlangs op facebook plaatste, had in zeer korte tijd erg veel response, en dat zou met een boek over mijn vader niet zo werken. De vaart waarmee een gedicht rouleert en de spontane manier waarop mensen dan kunnen reageren, dat is wat me aanspreekt bij poëzie. Als je een gedicht voorleest tijdens een lezing dan voel je de emoties gieren door de zaal. Als auteur ben je er nooit bij als ze het boek lezen en moet je het doen met die enkele zinnen die ze je eventueel willen sturen of zeggen. Ik hou van de communicatie.

Hoe ontstaat doorgaans een gedicht?
Het ontstaan van een gedicht kan vanuit een woordenspel ontstaan, maar ook vanuit een emotie of een gedachte een beeld. Soms ontstaat het door het ritme waarmee je als passagier in de trein de palen aan je voorbij ziet schieten, soms in de auto tijdens het luisteren naar klassieke muziek waarbij het thema ervan je als het ware verleidt tot het laten groeien van zinnen. Het kan ook gewoon zijn omdat ik voor een gelegenheid iets moet schrijven, zoals toen mijn vader was gestorven: toen ontstond dat gedicht ‘Papa’ en ik ben heel blij wanneer ik ontdek dat het gedicht – ondanks de intimiteit en de autobiografische aspecten – anderen dusdanig aanspreekt dat het is alsof of het over hun eigen vader gaat.

Papa

Het rondje op de stang van uw fiets
Het partje van de appel waar u zelf
van had gehapt, het stukje witte cho-
colade al half gesmolten op uw tong

belandde toch nog in de mijne. De

spekjes van mijn bord schoof ik op uw
rijst en u gluurde naar haar, moffelde
ze weg onder de korrels in uw slordig
kauwende mond. Met uw verfrommelde

zakdoek, die rook naar het pakje half-

zware Samson dat ik voor u moest kopen
als ik de voetbaltoto wegbracht naar de
hoek van onze straat, droogde u mijn
tranen en snoot u mijn neus. Ik zette me

eroverheen dat er een hint van pepermunt

school in alles uit uw diepste zakken. In
uw opgedroogd snot zat troost die nergens
anders warmer was. U had boeken op de
kop getikt die niemand nog zou lezen

Oude spelling. Zonde toch. Ik heb het

boek wel honderd keer gelezen omdat u
de liefste vader was die zelf alleen maar
tong tong las. U wees mij naar het juiste
pad toen ik nog graag verdwaalde. En

hoewel ik de militaire koekjes vrat, en

ook de legerhutspot en witte bonen gretig
at ik die rantsoenen slaafs omdat ze zo
naar vader smaakten. De luchtmachtdoos
na uw piket was als de zak van Sinterklaas

omdat daarmee de wereld onder uw grote

platte pet een beetje tastbaar werd. In de
kerk als iedereen op hun knieën bad tot
de heer bleef u gewoon zitten en fluister-
de: ik mediteer. In mijn broertjes zie ik

mijn vader. In de ene dit in de ander dat

En ik beken: ik wou dat ik uw innerlijke
schoonheid had. U was zoals ik zou willen
zijn, leerde ons relativeren, leerde ons
respect, leerde ons lachen om eigen fouten

Veroordelen deed u nooit. God, later, aan

de poort zal dat bepalen, is wat u
zei als mensen spraken. Papa u mag
gaan, als u belooft te blijven. Wijs ons
de weg, wanneer we toch verdwalen

Is er wel eens een idee voor een gedicht geweest dat uiteindelijk uitgroeide tot een roman of juist andersom?

Ik denk dat thema’s uit gedichten naderhand wel eens zijn uitgegroeid tot scenario’s of verhalen of romans, maar het is nooit zo geweest dat ik een gedicht bij de horens vatte en dacht: hier maak ik een roman van. Andersom, van een roman naar een gedicht, gebeurt nooit. Gedichten ontstaan vanuit het onderbewuste. Een roman ontstaat vanuit een idee, maar eenmaal schrijvend neemt het onderbewuste het over.

Je gedicht ‘Verlangen’ eindigt met de prachtige verzen: ‘De hartstocht is er nog / ik voel hem prikken in mijn / rug als we hardnekkig / weer niet kijken / achterom / hij niet, ik niet’. In het algemeen lezen je gedichten alsof ze in één vloeiende beweging zijn neergeschreven. Klopt dat, of blijf je lang schaven aan je teksten?
Ik blijf lang schaven. Soms doe ik meer dan tien jaar over een gedicht, als ik voel dat het er nog niet helemaal is, blijft het liggen, en dan na jaren werk ik er weer hard aan, en dan soms elke dag een uur, maar ik lees het hardop, ik schrijf met mijn stem en de klank van het woord, dus vaak in mijn hoofd tijdens het rennen of fietsen. Ik wil wel dat mijn gedichten overkomen alsof ze lichtvoetig zijn en spontane gedachten, maar zo komen ze niet tot stand.

Over je oma, jouw muze, schreef je onder meer de volgende roerende woorden: ‘Mijn muze is verhuisd naar een verpleegtehuis / De deur naar buiten zit op slot / Er is een tovercode // Vier cijfers die mijn muze niet meer weet / Naast de deurpost staat geschreven: / Het wachtwoord is het jaar waarin wij leven (…)’. Hoe belangrijk is ze voor je als muze in je schrijvers- en persoonlijke leven?
Onbeschrijflijk belangrijk. Daarom heb ik meerdere gedichten en verhalen over haar geschreven en komt ze in erg veel boeken van me voor.

Je maakte al jaren geleden een begin met je ‘Visuverzen’. Hoe bevalt dat?
Ik had een goed editing programma (in combinatie met photoshop en mijn camera) dat ik door een verouderde computer nu kwijt ben. Zonde, want anders zou ik wekelijks een visuvers maken. Ik mis het erg, wilde dat ik geld had voor een nieuw goed editingprogramma en dat ze niet telkens die computers en de software vernieuwden, waardoor ik telkens minder doen kan. Nu is het erg ingewikkeld voor mij en kan ik daardoor niet meer kosteloos mooie visuverzen maken…

***
Enkele visuverzen van Marion Bloem:
Freedom Vrijheid Libertad
Verlangen
Dansen op andermans rug

Geplaatst in Interviews.