Antoinette Sisto – Dichter bij de dagen

Dichter bij de voorgoed verloren dagen

door Levity Peters

Je kunt bij de dag leven, en je kunt blijkbaar bij de dag dichten. Dichter bij de dagen heet de nieuwe bundel van Antoinette Sisto. De titel wijst op een afgemeten tijd. Hij verwijst naar het onvermogen om ergens dichterbij te komen; onmacht, machteloosheid.
Bij de dag leven doe je wanneer je geen positieve vooruitzichten meer hebt, bij de dag dicht je, om wat er van belang was in die dag vast te leggen voor later, wanneer er niets meer is om vast te houden, in dit geval niemand.
De gedichten gaan over ziekte en dood van een geliefde.

Wat is poëzie een wreed medium voor zulke zaken. Ze dwong de dichteres om haar gevoelens en ervaringen in een vorm te gieten die ver af staat van de meedogenloze werkelijkheid, en om haar emoties zo levend mogelijk te verwoorden. En wij beoordelen poëzie als goed geschreven of niet – waarover de meningen nogal kunnen verschillen.

Ik denk dat een bundel als Dichter bij de dagen je in de eerste plaats met je neus op de inhoud drukt, en dus op het feit of de dichteres erin geslaagd is om die indringend te verdichten. Ook daar is iets vreemds mee: wat is er intiemer dan het delen van iemands sterven? Wat brengt je, wanneer je echt van elkaar houdt, dichter bij elkaar? En toch wilde Antoinette Sisto ons, buitenstaanders, deelgenoot maken. Ik denk terecht. Wat wij doorgaans buiten ons bewustzijn houden, daar confronteert zij ons mee: onze sterfelijkheid. Hoe is het om naar je geliefde kijken als naar iemand die je verliezen kunt?

Sisto kijkt terug. Alsof zij het zichzelf inprent, alsof ze het nog niet geloven kan, schrijft ze:

Ik leerde je kennen
toen wetenschap nog zegevierde
in een kamer vol vitrines.

(uit: ‘PII GlnK’)

 

Moeiteloos werd je mijn minnaar
met filter deluxe sigaretten
gesprekken aan tafel
die zich uitstrekten
tot bank of bed

(uit: ‘Koorts’)

 

Ik wil weer van je houden
zei je op een bewolkte dag.

Maar eerst
moet er nog iets gebeuren:

Een black en decker boor
moet twee gaten draaien

links verticaal
boven mijn halfdove oor

(uit: ‘1p 19q’)

Op een bijna klinische manier beschrijft ze het gebeuren. Bijna. Haar bitterheid klinkt door in bijna ieder woord. Op het cynische af; de diagnose, het bezoek aan de humorloze neurologe, enz. Soms is er boosheid. Maar soms komt er ook ineens een liefdesgedicht tevoorschijn:

Cocon

Hoe je nog houden kunt
van dat lichaam
die bundeling van huid en cellen.

Of je de streling van een zachter
hand verdraagt
bleke pop die je geworden bent.

Hoe je nog opgerold
behaaglijk in bed kunt liggen
als een grieperig kind
dekens tot aan je kin.

Soms vraag ik me af
of ik de vlinders in je buik
weer tot leven wekken kan.

Of ik je lach nog terug zal zien
die lentebries
door een erkerraam.
Dat zuiver patroon beweeglijk
vluchtend –
in ragfijne knippering.

Dit is schrijnend. Zij is in staat, om voor zichzelf de geliefde voor ogen te toveren, zonder hem te zien. Sommige herinneringen blijken zo van de persoon, de omgeving en de omstandigheden losgezongen, dat binnen- en buitenwereld in elkaar overlopen, beide even ijl, even vluchtig. Alleen het gevoel is over, en even, voor een kort moment; oplichtend, bevrijdend.

Antoinette Sisto beschrijft in een aantal gedichten hoe de geliefde bezig is met het maken van foto’s, met het stil zetten van de tijd, hem conserveren. Beiden zijn bezig elkaar vast te houden:

Met één vinger
legde je
bewegende wolken vast

en mij, vanachter een oog van glas.

Hoe ik mijzelf later terug zag
de blik waarmee ik naar je keek

zo innig verrast

(uit: ‘Camera’)

Het gevoel dat overheerst, is verslagenheid. De sfeer van verdoving in de wachtkamer van de dood. Haar geliefde probeert het einde dat zelden uit zijn bewustzijn is, buiten hun communicatie te houden, zonder het te ontwijken. Het is alsof hij alleen maar benadrukt hoe kostbaar hun samenleven voor hem is, de toekomst is een mogelijkheid, niet méér:

Dit jaar is alles anders
zie hoe oogstrelend sereen
de boerenhoeves zich aftekenen
tegen de muisgrijze einder.
Je zegt ik zie niet verder dan dat

en ik laat het voorlopig zo.

(uit: ‘Winterbomen’)

Ik wil eindigen met een gedicht waarin zoveel tederheid, dat het de gevoelens van uitzichtloosheid en verlies niet alleen versterkt, maar ook draaglijk maakt. Want veel méér dan een bundel over de martelgang van een patiënt met een hersentumor en de vrouw die van hem houdt, is dit een liefdesbundel.

Zeezicht

Hadden we maar een zee
van tijd gekocht
een huisje aan het waddenstrand

met uitzicht
steeds op nieuwe golven
contouren op het vaste land.

Wrakhout had ik moeten zoeken
resten van een vergane sloep
of misschien een half verroest anker.

Ach, had ik toen een jutter
langs de vloedlijn
aangeklampt

met de vraag wat is dan waardevol
wat laat je achter
wat neem je mee.

Had ik maar fijnmazige netten
gekocht, aas voor wie zou bijten.

Maar ik zag alleen dat zeepaardje
in de leegte om ons heen.

Voor Wally.

***
Antoinette Sisto (Almelo, 1963) woont en werkt in Amsterdam. Zij studeerde Italiaanse taal- en letterkunde en rondt momenteel haar studie af voor vertaler Italiaans aan de Hogeschool van Utrecht. Sinds 2007 werkt zij als poëzieredacteur bij Meander waarvoor zij interviews schrijft en gedichten uit het Italiaans vertaalt voor de rubriek Wereldpoëzie. In 2006 verscheen bij Opwenteling haar poëziedebuut Het verre huis.

Geplaatst in Recensies.