Kees Engelhart – Woedende dansen kunnen niet zingen

In de traangasfabriek gegoochelde woorden

door Levity Peters

‘Snap jij de ondertitel?’, vroeg een vriend van me, na lezing van de dichtbundel Woedende dansen kunnen niet zingen.
Ik zou de ondertitel ‘Moderne Klassieken’ hebben afgedaan als een grap van de dichter, wanneer de bundel geen motto van Vergilius had gehad: Ik zing geen lied, waar men mij niet om gevraagd heeft.
Poëzie dus als het antwoord op de aloude levensvragen. Dat is geen geringe inzet.

Het eerste gedicht ‘Dat lied alleen’ begint zo:

Het is een dans
Ja het is een dans
Kan niet anders dan een dans zijn
Een draaiing
Werveling
Beweging
[…]

Angst is een merkwaardig ding
Het huppelt en schurkt
Beneemt adem soms
Verzorgt steken in de maagstreek
Danst op gloeiend houtskool
Maar danst
Net als de dans zelf

Hier probeert een dichter zo exact mogelijk angst te omschrijven. Je weet wat angst is, maar vind er maar eens de woorden voor. Hij vervolgt::

We waren er nog niet uit
Konden er ook nog niet uit zijn
Daarvoor was het veel te vroeg
Er was nog geen einde aangekomen
Geen verlof
Geen snipperdagen meer
Vooralsnog bleven we de dagen tellen
Eenmaal dansen per week
Als er mogelijkheid toe was

Aangezien alles wat bestaat eindig is, kan het einde er alleen maar ‘aankomen’. Dit is geen filosofische poëzie, maar ze dwingt je middels zijn vreemde kronkels na te denken: de levensdans getransformeerd tot paardans, getransponeerd naar de danszaal, waar we ons zo graag ontspannen dat we de dagen aftellen die ons scheiden van de mogelijkheid om onze levensangst te kunnen verroezen.

De slotstrofe van het gedicht: ‘Even hiervoor nog was hij een van ons 1’.

Het zwijgen duurde voort
Het liep tegen half drie
Taal noch teken vernamen we verder
Van het ons toebedeelde fenomeen

Wanneer ik zo’n strofe lees schiet ik in de lach. De bundel kent er vele.
Een mengeling van sardonische en Engelse humor, grimmig en licht tezelfdertijd. Een ernstige humor, geworteld in het niet al te serieus naar de wereld kijken, zodat je er de ongerijmdheden van kunt waarderen, de soms onthutsend overheersende futiliteiten. Futiel omdat alles van voorbijgaande aard is; weinig werkelijk de moeite waard om je over op te winden. Vergankelijkheid blijkt de uiterst betrouwbare grond van ons bestaan, alles continu in beweging, verandering onze solide basis.

Toen ik de drie gedichten onder de titel ‘Geweest’ las, vond ik het jammer dat de bundel geen uitklapblad had: ze zouden naast elkaar te lezen moeten zijn:

‘Kom/ Laat mij nog eenmaal zien waar het begon’, begint het eerste gedicht.
‘Kom/ Laat mij zien dan/ Waar ik nu aanwezig ben’, het tweede.
‘Kom/ Laat mij zien waar het naartoe gaat’, het derde, en dat eindigt met:

Want
Als er geen waarheid is
Wat doet mij dan hunkeren nog
Hier
Waar ik waarschijnlijk aanwezig was

Het gedicht doet meer dan elke denkbare levensvraag smoren in onzekerheid. Het biedt drie manieren waarop je de werkelijkheid van zowel jezelf als van de ander kunt benaderen, en doet dat op zo’n losse manier, dat je de indruk krijgt dat er waarschijnlijk nog meer mogelijkheden zijn, die de dichter aan de lezer over laat. Hij zet de zaken op een zo stevige manier op losse schroeven, dat je bijna niet durft te denken dat dit het hele verhaal is.
Elk mens zoekt op zijn of haar manier naar de zin van het bestaan. Of doet dat, om het even, niet. Op je eigen manier moet je in het reine zien te komen met het soms al te banale dagelijkse leven. En met alle aangrijpende vormen van verlies.

Wat ik indrukwekkend vind is de manier waarop de dichter de hele bundel door de lezer met de neus op de onzekerheid van het bestaan drukt als mogelijkheid tot creativiteit, en op de noodzaak daarvan: onnadrukkelijk en stellig; vastberaden en strijdvaardig, maar ogenschijnlijk achteloos en elegant.

Op verschillende plaatsen wijst hij op willekeur, zoals in ‘men kiest een vorm’:

Men kiest een vorm
Een ei
Spiraal
Ordening

Dat is iets
Om mee te beginnen
Daar kan van alles en nog wat
Mee aangevangen worden
[…]

Om te eindigen met:

Gelijk alle fenomenen
Hun bestaansrecht ontlenend
Aan lust en macht

Het zij zo

Het gedicht lijkt te verwijzen naar iets groters dat zich via de mens uitdrukt. Je kiest wel, maar kent je drijfveren niet. Je denkt wel dat je ‘iets’ bent, maar veel meer dan een radertje in een groter geheel lijk je niet te zijn; Onderworpen aan iets boven – of buitenmenselijks? Geen idee. Lust en macht drijven ons en we zijn afhankelijk van anderen. Ter troost: wat je ook kiest; het is het juiste, want jouw verantwoordelijkheid.

Het geluk moest gevonden worden
Drie dagen heen
Acht dagen terug

Zie hem
Die achteloos zijn overhemden strijkt
Zijn mateloos begeren
De avonden die hij slijt
Al heeft hij nooit een hemd gestreken
Nooit iets verlangd
Dat behangen was met ijdelheid
Of honger stillen kon
[..]
(uit: ‘Dat weet het 2’)

Het was de Duitse expressionistische schilder Max Beckman die beweerde dat kennis de kwintessens is van kunst. Ik moest daar telkens aan denken nadat ik deze bundel van Kees Engelhart las. Dit is geen literatuur om de literatuur, geen spielerei met woorden, niet alleen maar amusement.
Hier is iemand aan het woord die met plezier dicht, met liefde voor de taal, maar die het over belangrijkere zaken heeft: het aangrijpen van je verantwoordelijkheid. En over het bewustzijn van de kracht van een aanvaard lot: Dit is wat mij te doen staat. Dus doe ik dat in volle overgave. En met de grootst mogelijke perfectie. En met de ruimst mogelijke visie. De angst die nergens afwezig is, de diepste menselijke emotie, als de noodzakelijke weerstand om vrijheid te zoeken, en als discipline te nemen:

Men zoekt een vorm…

Kees Engelhart is de zijne meester. Een met anderen onverwisselbare stem.
Met Woedende dansen kunnen niet zingen heeft hij een intrigerende bundel geschreven, die, wanneer je door hebt op hoeveel manieren je hem kunt lezen, niet alleen onopvallend een complete levensfilosofie levert, maar ook het bij tijden hilarische beeld van een man die zijn levensangst aangrijpt om tot levenskunst te komen.

 

Geplaatst in Recensies.