Reine De Pelseneer / Frank Pollet (sam.) – Boezeming

Poëzie om aan de borst te drukken

door Yves Joris

Reine De Pelseneer en Frank Pollet gingen op zoek naar poëzie waarin borsten een hoofd- of bijrol speelden. Ze verzamelden 246 gedichten waarvan er uiteindelijk 2×33 in deze bundel belanden. Geen scabreuze bloemlezing, maar een evenwichtige bundel over een zinnenprikkelend thema.

Enkele jaren geleden verscheen er een medische studie die aantoonde dat staren naar vrouwenborsten het leven van een man met gemiddeld vijf jaar zou verlengen. Tien minuten per dag naar borsten staren zou immers gelijk staan aan een half uur fitness. Lokale kranten pikten de resultaten van de studie op en publiceerden ze op hun website. (zie http://www.gva.be/nieuws/wetenschap/aid888685/mannen-die-naar-borsten-staren-leven-5-jaar-langer.aspx ). Helaas, de studie bleek een (medische) grap te zijn, maar de samenstellers van de bundel lieten het niet aan hun hart komen. Onder het mom van gedichten over borsten zullen het leven niet verlengen, maar ze zullen het zeker ook niet verkorten verzamelden ze bovenvermelde 246 gedichten waarin borsten expliciet of impliciet een rol spelen.

Co

Jij mag ons hebben deze week, helemaal verzinnen
en daarna ik, co-ouderschap van de verbeelding
Ik geef een nachthemd mee om me gauw aan te
denken als je mijn tepel niet meer weet, vergeet hoe hij

soms op de bedrand valt, verstart. Een sjaal om voor
mijn mond te knopen als het trekken van mijn
bovenlip, trillen van mijn linkermondhoek je
ontbreekt. En je mag ons overal naar mee, Se-

attle, slaapkamers van tandvlees, behalve naar die
dag aan zee. Onverdraaglijk zou ik het vinden
dat je ons uit gemakzucht gewoon
herinnert.

Ruth Lasters is een van de 33 dichteressen die de selectie overleefd heeft. Met haar gedicht ‘Co’ uit de bundel Vouwplannen (Manteau, 2007) ontregelt ze op grammaticale wijze de taal om ervoor te zorgen dat (haar) borsten niet alleen uit gemakzucht herinnerd worden, maar ook door concrete beelden (nachthemd) prominent aanwezig blijven in het hoofd van wie zij dat wil.
Het erotische beeld van borsten in het gedicht van Lasters heeft bij Albertina Soepboer plaatsgemaakt voor rust en geborgenheid:

History in B.

Zachter slaap je aan mijn borst
dat weet ik, dat is geen geschiedenis.

Stapt ze woensdagmorgen in mij op
uit een zwart beeld, Romeinse tijd
en neus en heup intacta.

Is ze zoals ik ben, later
als ik nu terug kan kijken.

Slaap je zachter aan mijn borst.

(Zone, uitg. Contact, 2005)

De 33 vrouwelijke en mannelijke dichters in deze bundel worden gescheiden door fotografisch werk van Malou Swinnen. De Hasseltse fotografe levert met haar bijdrage van zeven zwartwitfoto’s een moment van beeldbeschouwing in een wereld van woorden. De foto op de cover is ook van haar lens en toont in al haar zedigheid een zachte welving onder een zijden kleedje. Zouden de mannelijke dichters in de bundel even subtiel omgaan met de aangereikte materie?

Dolores
11

Voor jou te straffen en om heus niet zielig
zwelg ik om te zwelgen door de plakkerige nacht
hang ik lekker puh de pias uit mijn lolbroek
voor twee pinacoladasnollen knijp ze toeter
in hun mamaloeka’s zit al in een glas
en op tel kwijt benen kun je niet lopen

wil je het weten? Oké hij is omgetrokken met lippenstift
op viltjes en erin geprakt bij die je weet wel
drukpuntanaliste neegster die jij lekke luchtbalonnen
noemde en reken maar gepompt van hoppa en oké
als je het weten wilt ja rete-reken maar van ape-yes
Stomme mutsetrut

Tja, voor een subtiele ode aan de vrouwenborst moet je niet terecht bij de bundel Dolores (Arbeiderspers, 2002) van Ilja Leonard Pfeijffer. Hij gaat tekeer alsof hij na een nacht chianti- en grappastappen zijn verzopen beeldassociaties tegen de kerktoren moet uitbrullen. De nacht is zwalpzwart en mamaloeka’s dienen om in te knijpen. Ik vraag me af of de verkeerd gespelde luchtbalonnen ook in deze roes ontstaan zijn?
Neen, ik ben niet voor dit neologistisch geweld en trek me terug in de lectuur van de oervader van de Vlaamse erotische poëzie:

Een vrouw
7

Naakt bekken, heldere caesuur,
Ik ben alleen en hol.
Tepels en het landhuis van je lenden.
Ik ben uitgehold,
Ik dans alleen.
Kwetsuur en wier.
Elk glazuur schilfert aan
Je ledematen af – je Spaanse huid in vlokken
Barst.
Ik ben hol en hard
Tot in de mijnschacht en het sabel
Van je heimlijk haar.

Met De Oostakkerse Gedichten (De Bezige Bij,1955) leverde Hugo Claus voor mij zijn sterkste bundel af. Met de oerkracht van de natuur beschrijft hij de tederheid van de vrouw. Mannelijke kracht versus vrouwelijke schoonheid vloeien in elkaar over zonder een enkel moment de (gewilde) platvloersheid van Pfeijffer te bereiken.

Met Boezeming spelen Reine De Pelseneer en Frank Pollet in op de trend van bloemlezingen. Individuele bundels halen zelden hoge verkoopcijfers. Bloemlezingen slagen daar meestal wel in. Bloemlezen is in. De mooiste liefdesgedichten, gedichten uit de gevangenis, poëtische wijnontboezemingen en gedichten over ziek zijn: voor iedere doelgroep is er wel een verzamelbundel.
Boezeming
is een mooie synthese geworden van wat boezempoëzie kan opleveren. Evenwicht tussen man en vrouw, tussen bekende en onbekende dichters, tussen teder en hard, tussen diepzinnig en lichtvoetig. Dit evenwicht wordt overgoten met ingetogen zwartwitbeelden van Malou Swinnen. De bloemlezers omschrijven hun opzet als volgt: Wat de poëzie nog meer aan borsten te bieden heeft – of omgekeerd – mag je zelf, langzaam bladerend of genietend, in dit boek ontdekken … Voor mij werd het inderdaad een ontdekking van nieuw en bestaand talent. Alleen zijn niet alle gedichten even sterk. Bloemlezen, het blijft een precaire zoektocht naar inhoud en kwaliteit.

Geplaatst in Recensies.