Bart Janssen – mondgreep

Wanneer een mond volstaat

door Ivan Sacharov

Bart Janssen maakt het een lezer in zijn nieuwe bundel mondgreep niet eenvoudig. Te beginnen al met de titel. Hoe moet die begrepen worden? Gaat het om een greep (woorden, zinnen) uit de mond? Of om een greep van de mond (bijten)? De term heeft iets gespannens, iets ongemakkelijks, alsof de twee woorden waaruit hij is samengesteld elkaar in een soort houdgreep houden. De associatie is oppervlakkig, maar toch: ongemakkelijkheid lijkt een kenmerk van deze voornaamwoordenpoëzie:

INSOMNIE
duurzaam vrees ik mijn verademing
verlaat me op warmte
die mij weert

schromelijk bewaar ik mij voor mijn slaap

solide talm ik voor mijn roep
vat me niet verder dan koude
mij verlaat

stellig sterf ik opgehouden door mijn naam

Zomaar een greep uit mondgreep. Het veelvuldig gebruik van ‘ík’ en ‘mij’ in dit gedicht en in sommige andere deed me even denken aan Luceberts ‘ik mij’-sonnet. Ik moet het bekennen. Gelukkig zit er meer vlees op de botten van deze pennenstreken. Ik waag me aan een analyse:
Strofe 1: duurzaam wordt opluchting, of misschien letterlijk ‘dat de lucht op is’ (de dood) gevreesd. De ik-persoon ‘verlaat’ zich op warmte. Dat is: hij rekent erop. Maar verlaten heeft ook die andere betekenis van ‘weggaan van’. ‘Ik… verlaat me…’, betekent in deze context dan dat de ik-persoon zichzelf verlaat op warmte die ‘hem weert’: hem ervan weerhoudt om bij zichzelf te blijven (ongeveer zoals koken een ei verandert en dus verhindert om ‘bij zichzelf’ te blijven).
Strofe 2: in samenhang met sterven betekent ‘slaap’ vaak ‘dood’, en dat is hier mogelijk ook het geval: de ‘ik’ bewaart zich schromelijk voor zijn dood. Hij voelt een schroom om te veranderen, en dus niet meer geheel zichzelf te zijn. Maar de dood verandert uiteindelijk alles. Het leuke is dat door teveel beschroomdheid ook eentonigheid en saaiheid in de hand worden gewerkt, en dat is dan weer gunstig voor gewone slaap.
Strofe 3: solide aarzelt de ‘ik’ voor zijn roep: de roep om te veranderen? ‘Roep’ kan misschien ook als ‘roeping’ gelezen worden, of als ‘toekomst’. Deze strofe blinkt uit in onduidelijkheid. Maar goed, ‘ik… vat me niet verder dan koude mij verlaat’ vertaal ik dan maar met: ‘ik vat me (ik blijf mezelf) tot daar waar warmte naar mij toe komt’, wat in overeenstemming lijkt met de inhoud van strofe 1, waar warmte ervoor zorgt dat de ‘ik’ zichzelf verlaat. Ik kom op deze overeenkomst terug.
Strofe 4: het interessante woord is hier ‘opgehouden’. Normaliter zijn wij het die een naam op te houden hebben, maar dat een naam ons ophoudt klinkt vreemd. ‘Opgehouden’ moet in dit verband misschien als ‘overeind gehouden’ gelezen worden. Een naam kan ons overeind houden in de herinnering van anderen. ‘Opgehouden’ kan ook nog als ‘beziggehouden’ gelezen worden. Zolang we sterven zijn we niet dood. Sterven is dus eigenlijk leven. Stellig leven we zolang onze naam ons bezighoudt en we de tijd krijgen om naam te maken.

Doordat strofe 1 en 3 bijna hetzelfde zeggen komt het gedicht moeizaam van zijn plaats. Iets wat de krampachtigheid van de situatie van de ik-persoon nog accentueert. De naam van de ik-persoon lijkt het enige bindmiddel in zijn leven.

‘So far so good’, zouden we kunnen zeggen, door een raam naar buiten kijkend, terwijl we iemand voorbij zien vallen (zonder verder na te denken over hoe het afloopt). Maar zulke verstandelijke, in elkaar gepuzzelde poëzie maakt dat een lezer óók gaat puzzelen en snuffelen aan vragen zoals: verdragen ‘warmte die mij weert’ en ‘koude die mij verlaat’ elkaar wel? En: is deze tegenstelling wel een paradox? (een paradox die zich alleen in de dood zou oplossen, omdat warmte en koude vermoedelijk dan allebei niet meer van toepassing zijn).
Ik zei het al: het is ongemakkelijke poëzie die Janssen ons voorschotelt. Maar dat moet dan wel op de inhoud slaan, en niet op de uitwerking. Ik vrees, ik vrees… duurzaam, schromelijk, solide en zelfs stellig voor bovenstaand gedicht. Nog een voorbeeld:

MOND EN KLAUW
alleen maar een overdracht
van een laagte uit de hals naar een lengte achter de hand van een hoogte
[in de vingers naar een breedte
over
de
lippen

praat men zich met blauwe nagels flauwe grepen aan
gebaart men met dikke tong van kromme zinnen

van alleen maar van wat van alleen maar van wat men in toppen en op
[het punt verwacht

[‘over/ de/ lippen’ dient 90° gedraaid te worden]

Dit gedicht zou iets met de bundeltitel te maken kunnen hebben. Dat kunnen alle gedichten natuurlijk, maar mondgreep associeert wel heel erg met mond en klauw. Mond- en klauwzeer is overigens een ziekte die gemakkelijk overgedragen kan worden, o.a. via de lucht. Hoewel het hier natuurlijk om een overdracht van woorden gaat: van een laagte uit de hals (het strottenhoofd?) naar ‘een lengte achter de hand’ (woorden op papier, links achter de schrijvende hand?) zoiets? Ik ga het hier niet allemaal uitdiepen, maar men krijgt wel een idee. Grappig is dat ‘over de lippen’ niet horizontaal, maar verticaal is afgedrukt in de bundel. Dat levert een beeld op van woorden die uit de mond tuimelen: een andere dimensie in (lucht). En krijgt een woord niet ook een andere dimensie in het hoofd van een lezer?

Tot zover mijn pogingen om enkele gedichten te verklaren. Als ze hebben getoond hoe deze poëzie werkt (of niet werkt) zijn ze wat mij betreft geslaagd. Janssen schrijft nu niet direct gedichten die ik met het predicaat ‘mooi’ zou willen betitelen (ik denk ook niet dat hij die ambitie heeft). Als taalstaketsels waarmee de schrijver zijn ego enigszins probeert af te bakenen lijken ze me vooral interessant voor wie met dezelfde existentiële onzekerheden kampt …
Maar worstelt niet ieder van ons met dergelijke zaken? En als de op het menselijk lichaam geënte beelden die hier gebezigd worden niet allemaal aanspreken, is dat ook inherent aan het experimentele karakter van deze poëzie: wie waagt wint immers niet altijd. Wat nog genoeg mogelijkheden biedt voor laten we zeggen ‘goede poëzie’, zelfs als die over zichzelf gaat:

CENTRUM
los is de rondte
waarin ik je tref

nooit trek ik vel over vlees

regelrecht van betekenis
roep ik je straal

uit de grond van ons middel

Het heeft iets Achterbergiaans dit gedicht, waarin de straal van ‘de rondte’ (cirkel) een maat blijkt voor de betekenis van poëzie. Proza is eigenlijk per definitie vel over vlees: men krijgt wat men ziet. Maar poëzie: daar zit ruimte in. Verbeeldingsruimte die straal (geheel) ‘uit de grond van ons middel’ (dat het middel van de dichter is) ontstaat.
Ja, een lezer kan wel in de greep van deze woorden komen, denk ik. Maar of dan een mond volstaat…

***
Bart Janssen (1959) schreef eerder de bundels Grisailles (Lannoo 1994), Een losse draad (Lannoo 1996), Gedane wit (Lannoo 1999), Kwijtschrift (Lannoo 2001) en Opzicht (Poëziecentrum 2008).

Geplaatst in Recensies.