Alain Delmotte – Uit de lucht gegrepen

Groots ontworpen

door Joop Leibbrand

Alain Delmotte gaf zijn nieuwe bundel Uit de lucht gegrepen bij wijze van ondertitel de aanduiding ‘prozagedichten – orale verlokkingen’ mee. Over het eerste wordt in de begeleidende informatie opgemerkt dat die vorm de dichter nu al geruime tijd als ‘gegoten’ ligt (sic!) en nu verder wordt ‘uitgegraven’; het tweede duidt op de verschillende ‘toonaarden’ die de dichter zou hanteren, ‘van hartelijk tot hard, van getemperd tot geschreeuwd’.

Vijftien titels telt de bundel, waaronder een flink aantal cycli, en op de laatste tekst na zijn het (al valt daar nog over te discussiëren) inderdaad prozagedichten, maar dan wel met een ferme nadruk op het tweede lid van het woord. De muzikaliteit is opmerkelijk, er wordt met alliteraties, assonanties, herhalingen, metonymia en metaforen overvloedig gebruik gemaakt van een ruim pakket aan poëtische middelen, en de ‘alinea’s’ hebben vaak verdacht veel weg van gewone ‘strofen’, want ze worden niet met uitgevulde regels als tekstblokjes afgedrukt. Zelf zou ik daarom eerder willen spreken van parlandopoëzie. In de citaten volg ik daarom de bladspiegel, ook met de regeleindestrepen.

De bundel opent met het tweedelige titelgedicht, dat een perfecte illustratie is – in werkelijkheid is dat natuurlijk precies omgekeerd – van de fraaie omslagfoto: op als notenbalken gespannen stroomkabels zit losjes verspreid een zwerm zwaluwen, zo gepositioneerd dat je bijna geneigd bent er Messiaense klanken in te horen. ‘Uit de lucht gegrepen 1.’ beschrijft ze:

Zwaluwen, zwart-witte vlekken in een rimpelloze,
eigenlijk wat kunstmatig aandoende blauwe hemel. Te
mooi om waar te zijn: ze brengen licht in hun vlucht
wat realiteitszin bij.

Prachtige regels staan er verder: ‘Vliegende scharen met het geluid van een kriepende/ deur. Ze dimmen het daglicht -‘ […] Het zijn gelukzoekers./ Onheil laten ze aan het krassen van de kraaien over.’ Met die laatste regels eindigt het, maar Delmotte heeft dan al een vergelijking met het dichterschap gemaakt en de beschrijving op een heel ander niveau getrokken:

Zo uit de lucht gegrepen: hun scheren is een soort
vrolijkheid maar gevaarlijker. Alsof ze iets aan het
schrijven zijn en willen blijven.

Voorzichtig, zeg, breng ze nu niet aan het schrikken.

En waar ze hun vlucht nemen, waait stof, lichtjes,
lichtjes op. Evenveel als wat er ooit van jou zal
overblijven als je schrijft.

In die laatste regels speelt de dubbele betekenis van de titel mee: wat je te berde brengt is op niets gebaseerd, een lege fantasie…
Ook in het parallelle tweede gedicht, over mussen, met weer de waarschuwing: ‘Let op: schrik ze niet weg!’ wordt de verbinding met het dichterschap gelegd en vraagt de dichter zich af ‘Wat van jou zal overblijven, op een/ dag, als je de mussen niet meer hoort, ze niet meer/ schrijft. En dan volgt een schitterende omschrijving van wat voor Delmotte poëzie is:

Onbenullige lichtgewichtjes in groots ontworpen,
om zich heen grijpende en onsamenhangend lijkende
luchten. Gedichten.

De bundel vervolgt met ‘Aanbevelingen voor wie met dagdromen wil beginnen’. Het eerste advies luidt ‘Ga zitten’ en een van de volgende aanbevelingen is ‘Beoefen dit zitten alsof je in beweging wordt gebracht./ Je stilzitten moet tot een orkaan worden. Groei daarin.’ De tekst heeft een sterk analytisch karakter en gaandeweg de bundel wordt duidelijk dat een zekere redeneerzucht Delmotte niet vreemd is, evenmin als de klaarblijkelijke behoefte zich ten uiterste rekenschap te geven en daarin volledig te willen zijn. Vandaar dat het soms lijkt alsof hij aan het brainstormen is, maar de opsommingen zijn steeds uiterst virtuoos. Zo geeft ‘Inventaris van de schaduwen’ zeventien verschillende invalshoeken: ‘Een schaduw voor als de uren je niet zinnen’, ‘Een schaduw voor de juiste plooi’, ‘Schaduw die alles van je naaktheid toont’, enz.

Hoewel er dus een sterk intellectuele invalshoek is, wordt de bundel nergens zwaar. Zelfs het voortdurende besef van tijdelijkheid en vergeefsheid en van ‘je lichtgewicht/ aan vrije wil’ drukt niet neer. Integendeel zelfs, want in veel opzichten is dit ook een bundel van geluk. Dat ‘Gift’, dat te lezen is als een zelfportret, als volgt begint, is dan ook allerminst paradoxaal:

Alles wat in zijn lege broekzakken steekt: om er samen
de luchtig- en de luchtledigheid van te delen, het niets
dat iemands zijn omhult, het niets dat onthult wat een
leven lang door kan blijven wegen – onwetendheid.

‘Het zeer diep geliefde van wat hij ziet’ is de rijkdom die hij wil delen en waarin hij in ‘Impromptu’s voor de handen’ haast tastbaar, in concentratie op een ‘zij’, uitdrukking geeft:

Onmisbaar in de liefde: waar je handen eindigen, daar
begint haar huid – dan is er van taal helemaal geen
sprake meer, er is meer.

En:

Zonder handen bleef in de liefde enkel nog de tong, de
taal, haar huid en de fijne illusie van de lyriek over.

Hier dus ook weer de correlatie met het dichterschap, evenals in ‘Iemand omarmen’, dat via de omarming van en door de moeder, die van de wereld en die van de geliefde (‘in één omarming zet je alles in’) eindigt met die van ‘heel het woord’.
Het is verleidelijk uit deze bundel veel te citeren. Uit ‘Wat je hoort als je aan haar denkt’ bijvoorbeeld, het direct volgende moedergedicht (een cyclus van vijf), waarin hij de mogelijke bron van zijn dichterschap aangeeft:

De sonore poëzie die ze je fluisterde bij het toedekken,
woord voor woord, al haar genegenheid voor zoiets
broos als jij.

In het laatste deel komt op een ontroerende manier haar sterven ter sprake:

Je hoort nog het laatste van al haar verhalen: haar
laatste adem. Je hoort het nog, je ademt het nog na, ze
blijft nog in dat ademen wat ze was, wat ze zal blijven,
wat ze van haar laat horen.

In de gedichten die volgen staat het dichterschap echt centraal. ‘Addergebroed’ is een speels hekeldicht op de ‘rare vogels’ die dichters zijn, ‘kruimeldieven’, addergebroed’, ‘armoezaaiers’, ‘lijkenpikkers’. En met honende (zelf)spot: ‘De meesten, de lichtgewichten, luisteren en spelen na -/ niet meer dan het klateren van ondiep water.’
In eerder werk voerde Delmotte in de meneer Cogito-traditie ene Warhoofd ten tonele en in vier teksten keert deze nu terug. Het eerste, ‘Al die onhebbelijkheden van de dichter’ ofwel ‘Warhoofds lamento’ is mij te fragmentarisch; niet ieder inventarisatie wordt automatisch een geslaagd gedicht. Maar de andere zijn indrukwekkend, vooral ‘Drie feeën’, waarin beschreven wordt met welke faculteiten de dichter bij zijn geboorte werd uitgerust. ‘Nausea, migraines, insomnia’ horen ertoe, maar ook ‘stoïcijnse gelatenheid’ en ‘het vermogen om te herinneren.’

De bundel eindigt met ‘Bête noire’, bedoeld als hommage aan de surrealist Antonin Artaud, met wie Delmotte zich wel lijkt te identificeren. Elf bladzijden lang, smal afgedrukt, somt hij een litanie van onwenselijkheden op, zoals ‘liever/ verguisd/ verdacht/ verhoord/oog om oog’ en ‘liever/ een gelukszoeker/ een wolkenmeter/ een mus/ een vogel voor de kat’, om pas in de laatste regels duidelijk te maken waartegen dit moet opwegen:

     ja
liever dit

dan samentroepen
meeheulen
meehuilen
met de wolven

Delmotte heeft een unieke stem. Goed dat de Contrabas hem uitgaf. Waarom kenden wij deze dichter in Nederland niet?

***
Dichter, criticus, essayist en redacteur Alain Delmotte (Kortrijk, 1957) publiceerde onder meer Warhoofd (2002), Lieve Wislawa – Onderschrift 2 (2003), Verstekelingen – Onderschrift 3 (2006), Existential figures (bij tekeningen van Ine Lammers, 2008), Voorstander zijn (2008).

Geplaatst in Recensies.