Schrijftaboes bestaan voor mij niet

Levity Peters is beeldend kunstenaar en grafoloog. Onlangs publiceerde hij het epische gedicht Noord. Sander de Vaan spr@k met hem over gevoelens, overgave, de mens als loser en – last but not least – over seks.

Levity, je schreef een gedicht van ruim honderd bladzijden. Wat stond je bij aanvang voor ogen?
Noord is het laatste deel van een trilogie, en slechts het gevolg van een twintig jaar eerder geschreven gedicht dat in mijn volgende bundel zal staan. Dat was het enige, eveneens epische, gedicht waarvan ik gehoopt heb dat het ooit gepubliceerd zou worden. ‘De kerf’, zo heet het, is een tombeau; een herinneringsgedicht voor het meisje dat mij een van de belangrijkste ervaringen van mijn leven schonk. Zij is al dertig jaar dood. Het was voor mij de enige manier om haar iets terug te geven. Noord is naar aanleiding van dat gedicht een speurtocht naar de gevolgen van andere ervaringen, en waar die weer toe leidden. Noord was de poging om antwoorden te vinden op het waarom van de route die je in je leven aflegt, naar de wetmatigheden ervan.

Levity PetersIn hoeverre heb je die antwoorden gevonden? En stemmen ze je tevreden?
Het leven is een mysterie, maar wetmatigheden kun je er wel in ontdekken. Sterke indrukken zoeken een herhaling. De hoofdpersoon in Noord zoekt in elke nieuwe liefde zijn eerste grote liefde. Wanneer je het over een levensritme hebt, dan heb je het over herhaling. Verslavingen eisen herhaling. Tegelijkertijd zie je dat iedereen daar ook weer aan probeert te ontsnappen. Er is een mechanisme dat om anders, om meer, om hoogtepunten vraagt. Dat mechanisme heeft alles met ‘de ander’ te maken: rivaliteit. De behoefte om gezien te worden is zo urgent dat geen offer te groot lijkt om dat te bewerkstelligen. Dus leidt elke ontwikkeling tot het zekere einde ervan. Onze vermogens zijn beperkt, we zijn geboren losers. Het heeft iets grappigs dat we dat in alles proberen te ontkennen. Behalve een restant van zijn illusies raakt de hoofdpersoon van Noord alles kwijt. Dat maakt uiteindelijk een nieuwe start mogelijk, dezelfde fouten, enz. Het lijkt in het leven uiteindelijk hoofdzakelijk om overgave te gaan; (zelf) vertrouwen, gemoedsrust, innerlijke vrede..; vrijheid dus. Relatieve vrijheid.

Als je het glas wijn halfleeg beschouwt, zijn we inderdaad ‘losers’, maar: we komen uit het niets, beginnen met niets en dan is er na een mensenleven – als dat enigszins goed verloopt – toch ook een heleboel gewonnen?
Geboren losers, ja, omdat uiteindelijk alles wat je winnen kan futiel blijkt te zijn. Weinig is er gênanter dan oude sportmannen die op een podium worden gezet (bril, wallen, buikje), met hun veertig jaar eerder gewonnen medailles (drie maal brons, een maal zilver…). Voor sommigen is het voldoende om, al is het maar een keer, aan de top of bijna aan de top te hebben gestaan. Daar kunnen ze de rest van hun leven op teren; een Naam zijn… Maar natuurlijk is er ook echt wat te winnen: het relativeren van je activiteiten. Je doet iets omdat je erin gelooft, omdat het jou betekenisvol voorkomt, omdat je iets goed blijkt te kunnen. Je fungeert als voorbeeld voor anderen die er weer inspiratie uit putten.
Aan het einde van zijn leven vroeg Vincent van Gogh zich af of hij niet beter net als zijn broer een gezin had kunnen stichten, in plaats van zich te wijden aan die onzinnige kunst. (Hij heeft ooit één schilderij verkocht, de loser) Met een vriendin liep ik door het Kröller-Müller Museum. Onafhankelijk van elkaar doorkruisten we de zalen met schilderijen van Van Gogh. Toen we elkaar op een bepaald moment tegen kwamen stonden er tranen in onze ogen. We hoefden elkaar niets te zeggen. Van Gogh had ongelijk, en ik wist weer waar ik naar streefde.

Waarom koos je bij het schrijven van Noord voor poëzie en niet voor een novelle of een roman?
Mijn vriend Harry Vaandrager heeft keer op keer geadviseerd om een roman te maken van Noord. Ik heb het wel geprobeerd, maar vond het een uiterst vervelende bezigheid. Ik miste de vrijheid die de poëzie mij geeft. Poëzie verkoopt niet, en wordt nauwelijks gelezen, zelfs niet door dichters; maar in de poëzie zijn er nog werelden te veroveren. Er zijn veel romanschrijvers die werk hebben nagelaten waar niets aan toe te voegen is – denk aan Boelgakov, aan Dostojewsky, aan Bellow, aan Stendhal – en maar heel weinig dichters die er zelfs maar aan denken om in de diepte te graven die zij in hun werk hebben blootgelegd.

Je zou toch denken dat de vrijheid in een roman haast onbeperkt is?
Nee. Een roman drijft op het verhaal, dat vraagt om invulling. En dat doodt bij mij alle schrijflust. Mijn verbeelding moet kunnen dwalen. Ik heb mijn uitgever bijna gek gemaakt met veranderingen en aanvullingen. Noord bestond ergens in mijn geest als een compleet beeld. Ik wist dat er stukken aan ontbraken, maar niet precies welke. In het hoofdstuk ‘Afdrijving’, bestond heel lang alleen wat in mijn familie ‘de kut-litanie’ wordt genoemd. Pas op het laatste moment, nadat de uitgever in wanhoop mijn vrouw had gebeld of zij mij kon laten ophouden met het aanbrengen van veranderingen, ontstond die ontluisterende, neerwaartse spiraal die bij de hoofdpersoon tot de bewustwording leidde dat haat dikwijls de sterkste motivatie was geweest van zijn gedrag. Ook het besef dat de mooiste ervaring met vriendin Angelique (Sproetje) er een was waarin seks geen rol had gespeeld vond toen zijn plek. En dat in een gedicht dat seks als thema heeft.

Je hebt gekozen voor een soort kolom-achtige typografie, waarom?
Het spelen met de typografie opent vele mogelijkheden. Op enkele plaatsen laat ik tekstkolommen elkaar beïnvloeden; je kunt ze dan onafhankelijk, of als doorlopend lezen. Het brengt de gelijktijdigheid van verschillende zaken in beeld, maakt verwarring leesbaar, de verschillen tussen wat er geuit en wat er gedacht wordt – overigens: de zwierige kolommen zijn al tijdens het schrijfproces ontstaan, niet als finishing touch. Het is ook: voor het mooi…

Deze verzen uit Noord spreken mij bijzonder aan: ‘Hij vond Sproetje / veranderd. De / braampjes uit haar stem / verdwenen.’ Hoe komt zo’n beeld tot je? Een spontane ingeving?
Wat mij te binnen schiet bij de zinnen die jij aanhaalt, is het moment dat je iemand aankijkt die je een tijd niet gezien hebt; je ziet dat er iets veranderd is, maar weet niet precies wat. In een ogenblik scan je de ander als het ware, en je noteert wat het zou kunnen zijn.
De zinnen die jij aanhaalt werpen mij automatisch terug op mijzelf: ik zie het zonlicht; de bijna overbelichte kant van Sproetje’s gezicht, het groen van de struiken achter haar– de echte poëzie dus, het echte beeld, en wat ik dacht vond zijn plek in de beschrijving van een andere omstandigheid.

Je zei al eerder dat poëzie je als schrijver meer vrijheid geeft dan proza; is poëzie voor jou de ‘ultieme’ kunstvorm?
Ik streef al heel lang naar een mengvorm waarin alles kan. Het mag rijmen, het mag proza zijn, het mag onaf zijn, clichés zijn even welkom als unieke vondsten. En alles wat er in de echte wereld gebeurt, kan er in plaatsvinden. Schrijftaboes bestaan voor mij niet. Als het maar leeft, als het maar gedreven is. Een goede vriendin noemt mij een expressionist. Ik vind dat een eretitel, hoewel mijn werk heel ver af staat van het geëxalteerde werk van de expressionistische dichters uit het begin van de 20ste eeuw (ook van Ostaijen noemde zich expressionist!); ik houd van onopvallende zinnen met een drive.

Waar moet volgens jou een goed gedicht voldoen?
Zeggingskracht.

Hoe is het volgens jou met die zeggingskracht in de hedendaagse Nederlandse poëzie gesteld?
Het is van alle tijden, ben ik bang, dat het grootste gedeelte van de gepubliceerde poëzie gevarieerde imitatie is. Zowel dichters als uitgevers zoeken het bekende… Ik denk dat de meeste jonge dichters zich niet bewust zijn wat zij over willen brengen, noch wat zij overdragen. Ik denk dat er altijd een vorm van frictie moet zijn met de wereld waarin de poëzie gelanceerd wordt; volgens mij een voorwaarde voor de zeggingskracht van poëzie. Zij moet anders zijn, een eigen stem hebben (waarmee je wel het risico loopt van miskenning). Hoe soepeler iemand in staat is om vanuit zijn denkbeelden te schrijven, hoe krachtiger de poëzie is.

Zijn er dichters die je tot voorbeeld hebben gediend?
Om twee van mijn belangrijkste voorbeelden te noemen: de dichter Chairil Anwar, met een oeuvre van slechts 75 gedichten de grondlegger van de moderne poëzie in Indonesië; en de Chileen Nicanor Parra, de dichter van de ‘anti-poëzie’, in dezelfde zin als Dada anti-kunst was; hij bestreed met poëzie de traditionele poëtische poëzie.
Anwar vond dat de dichter zijn poëzie ‘moest leven’. Niet voor niets is er onder die schamele 75 gedichten de adaptatie van ‘Woningloze’ van Slauerhoff: ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’. Voor hem was vooral de melodie van de taal belangrijk, die maakte de kracht uit van een gedicht; de klanken bepalen het ritme en vormen de adem van een gedicht.
Anwar was liefde bij het eerste contact, vooral het emotionele aspect van zijn poëzie sprak mij aan:

O hart dat zich niet geven wil
breek! jij bastaard,
verkracht door je eenzaamheid!

Veel dichters zouden zich schamen om zulke regels te schrijven, en wat nog belachelijk veel erger is: om deze emotie te voelen.
Nicanor Parra heeft er alles aan gedaan om de poëzie uit ‘de literaire ruimte’ te halen. Hij heeft de poëtische taal zo kaal mogelijk gestript, ruimte geschapen voor het banale, voor alledaags taalgebruik, clichés, voor ironie, en dat met een confronterend mededogen:

De ernst van de Katholieke kerk
De ernst van de gewapende macht
(Eens was er een man tot een neus aangetrokken
Het was een superlatieve neus)
De ernst van de waterstofbom
De ernst van President Kennedy
Zijn van een begrafenisondernemer de ernst
Werkelijke ernst is komisch.

Dit zijn twee voorbeeldjes waarin beelden geen rol spelen. Het is volgens mij de combinatie van innerlijke gedrevenheid en het gebruik van de door de dichter gemanipuleerde taalmuziek, die de zeggingskracht uitmaakt van een gedicht.
Er moet mij trouwens iets van het hart, iets wat mij eigenlijk een beetje vrolijk maakt: ook jij loopt (tot nu toe) om het thema van Noord heen. Ik denk steeds dat het in deze verlichte tijden niet zo moeilijk moet zijn om ook over seks te dichten. Telkens ontdek ik dat mensen er verlegen van worden, er verlegen mee zijn. Misschien door mijn werk als grafoloog praat ik er gemakkelijk over; ik heb er mij zelfs in gespecialiseerd omdat het zo geluksbepalend is hoe je er mee omgaat (om kan gaan!).
De mens is een seksueel wezen, seks(e) bepaald. Dat was tevens een belangrijke motivatie om Noord zo te schrijven. Seks is geen speelgoed. Je kunt er flink door beschadigd raken, en er anderen mee beschadigen. Ik heb geprobeerd te laten zien hoe levensbepalend het is.

Ik loop er niet omheen hoor, voor mij is Noord vooral een gedicht over gevoelens, hoe die ontstaan en wat voor gevolgen ze kunnen hebben. Dat het in dit geval met seks te maken heeft neem ik voor kennisgeving aan. Ik vind je gedicht bovendien niet bijzonder seksueel getint… Maar denk je werkelijk dat mensen nog zo verlegen worden als seks ter sprake komt? Het kan ook zijn dat het minder geschikt is om over te praten en meer om te ‘ervaren’?
Je slaat de spijker op zijn kop. Voor mij had het ook over iets anders dan seks kunnen gaan. Bijna niemand gelooft dat. Ik probeer het regelmatig duidelijk te maken. Het is juist de koppeling van seks met emotie die voor sommigen moeilijk te verteren blijkt. Naast de verontrustende trekjes, die als ‘niet normaal’ ervaren kunnen worden, van mijn hoofdpersoon.
In technisch opzicht was Noord een uitdaging voor me, doordat ik er al jong achter was gekomen dat een ‘gewoon’ gedicht uit balans kon raken, alleen al door het gebruik van het woordje kut. Hoe wordt het een woord met ongeveer hetzelfde soortelijk gewicht als ‘normale’ woorden? Dat het mij na veel mislukte pogingen lukte, stemde me behoorlijk tevreden. Ik ben dus blij met jouw reactie.
Ik denk dat er nog steeds niet gemakkelijk over seks gepraat wordt, sterker: ik weet dat zeker. Als grafoloog heb ik in zowel Nederland als in West-Vlaanderen gewerkt. De Nederlander heeft de naam open te zijn, maar de Vlamingen die ik analyseerde waren het echt wanneer ik vroeg hoe iets zat. Maar dat gold alleen voor ‘normale’ seks. Ik zie nog de man voor me die met stoel en al van mij weg deinsde toen ik hem vroeg naar zijn angst om door een kind te worden verleid.
Een ander voorbeeld gaf een van mijn oudste zonen: ‘Je weet dat je ouders het doen, maar je wilt er niet aan denken’. Ik vind het plezierig te bedenken dat het verwekken van mij mijn ouders plezier heeft gedaan, hen beiden; daarvan ben ik vrij zeker. (Je vraagt er niet naar!).
In de poëzie komt seks er nogal bekaaid vanaf. Erotische poëzie zat, maar dat is Noord dus echt niet.


Geplaatst in Interviews.