Gedichten

Twee fragmenten uit Sneeuwwitje

Het einde van Sneeuwwitje. De stiefmoeder heeft geprobeerd Sneeuwwitjes schoonheid te vernietigen, maar het is niet gelukt. Nu moet ze dansen op het huwelijk van haar Stiefdochter.

10

       ‘Spiegel, spiegel in mijn hand,
       wie is de mooiste van het land?’
       ‘Sneeuwwitje. Sneeuwwitje.’

De koningin raakt buiten zinnen,
bang voor haar eigen verwelken.
Kan ze de bruid nog op haar huwelijk overtreffen?
Alles of niets voor de bewondering van de koning,
alles of niets voor zijn begeerte,
alles of niets om van de koning te houden.
De stiefmoeder snoert zich in,
trekt haar haren strak,
verft haar gezicht in goede kleuren.
Een diamant verlicht de aanzet van haar borsten.
Kin omhoog!

11

Ze is welkom,
stiefmoeder, koningin.
In het vuur hangen koperen schoenen met hoge hakken:
om te eren of te wreken, ze weet het niet zeker.
Ze ziet de andere gasten grijnzen,
zelfs haar eigen koning,
en tot overmaat van belediging grijnst hij iets milder.
Nu vergaat haar trotse schoonheid.
Hard gevochten, toch verloren.
Ze doet de roodgloeiende schoenen aan haar voeten
en ze danst, danst, danst
met alles wat ze heeft,
met gloeiende schoenen blijft ze dansen
alsof ze sneeuw wil vertrappen.
Haar zwartgeblakerde voeten verraden haar,
weigeren hun hitte te verdragen,
weigeren haar te dragen,
moeilijker en moeilijker danst de koningin
met alle waardigheid die ze kan verbeelden.
Haar voeten branden,
haar kokende bloed
stroomt uit de schoenen over de vloer.
Nog nooit was ze zo akelig mooi.

Fragment uit Twee Koningskinderen

Een jonge prins moet onmogelijke opdrachten vervullen voor hij met de prinses mag trouwen. Zij verricht wonderen om hem te helpen. Omdat de koning hen niet wil laten trouwen en telkens nieuwe opdrachten verzint, besluiten ze uiteindelijk te vluchten.

Ze renden hand in hand over de paden,
zigzaggend tussen de bomen
en sprongen over glinsterende beekjes,
in hun rug de rode gloed van de opgaande zon.
Steeds feller prikten de blakende zonnestralen
door de bladeren van de bomen.
De koning stond radeloos,
met lege handen,
tegenover zijn koningin.
     ‘Ga hen achterna,’ zei ze.
Dus besteeg de koning zijn snelste paard
en galoppeerde hen achterna
door de bossen, hij kwam steeds dichterbij.
Wat moesten de koningskinderen doen?
De prinses kreeg een idee.
     ‘Ik verander jou in een rozenstruik
     en mijzelf in een roos tussen jouw doornen.’
De vingers van de prins werden lang en dun
en splitsen zich, krulden alle kanten op,
net als zijn armen en benen,
Zijn tenen boorden zich de grond in
en de wind waaide door hem heen,
er ritselden blaadjes in zijn buik
en midden in de prinselijke rozenstruik
bloeide een roos.
De koning zag hen nergens en droop af.
     ‘Je had de roos moeten plukken,’ zei de koningin,
     ‘dan was de struik wel meegekomen.’
De koning kon het nauwelijks geloven:
dat waren ze, dat waren ze!

De koningskinderen vluchtten verder
zigzag door het bos
op weg naar het koninkrijk van de prins.
De koning galoppeerde woedend achter hen aan,
vastbesloten hen in te halen.
Opnieuw wist de prinses raad.
     ‘Ik verander jou in een kerk
     en mijzelf in de galm.’
Een grote koele ruimte strekte zich uit in de prins.
Hij kreeg er benen bij, en nog meer benen,
ze stonden in een rij en versteenden
tot zuilengalerij. Zijn armen
strekten zich uit en vervormden tot muren
en zijn schedel werd de koepel waar de hemel
tegenaan was geschilderd
en op zijn gezicht verschenen de uren.
Zijn orgel speelde en de prinses
begon te schemeren, verloor in hem haar lichaam,
loste op en was de galm.
De koning stapte over de drempel van de kerk,
knielde bij het altaar
en kwam met lege handen bij de koningin terug.
     ‘Je had de galm moeten vangen,’
zei ze, onthutst dat hij,
heerser van hun koninkrijk,
zijn dochter niet had herkend.

Nu sprong de koningin op haar paard
en met de woede van een moeder
galoppeerde ze over de paden,
door de uitgestrekte bossen.
Dieren sprongen opzij, bloemen knakten.
Ze haalde hen al bijna in.
De prins voelde zijn stappen verslappen,
zijn lichaam begon te stromen en te golven
en hij steeg zichzelf tot de lippen.
De prinses dook als een vis
in zijn water en zwom door hem heen.
Daar stond de koningin aan de rand van het meer
en zag haar dochter onder water.
Ze knielde, boog zich voorover en dronk het hele meer leeg
om haar te vangen. Het meisje
hapte naar adem op de drooggevallen aarde.
Haar moeder stapte op haar af,
had haar al bijna beet,
maar werd misselijk en spuugde
het hele meer weer uit.
     ‘Ik geef het op,’ huilde ze,
     ‘mijn lieve dochter, ik laat je gaan.
     Hoor je me? Ik laat je gaan,
     maar wees verstandig
     en neem deze drie walnoten van mij aan.’

Geplaatst in Gedichten en getagd met .