Ik zou mezelf niet kiezen als favoriete dichter

Vrouwkje Tuinman staat met haar nieuwe roman De rouwclub (Nijgh & Van Ditmar, 2013) weer volop in de belangstelling. Dit werk werd zo mogelijk nog enthousiaster ontvangen dan de eerder bij dezelfde uitgever verschenen Grote Acht ( 2005) en Buurvrouw (2008). Voor Meander is zij vooral de dichteres van de bundels Vitrine (2004), Receptie (2007), Intensive Care (2010) en Wat ik met de sleutel moet (2011). Later dit jaar komt zij met een nieuwe bundel. Voor Meander een mooie preview hieruit: het gedicht ‘Condities’.

DVrouwkje Tuinmane bibliotheek van Geldermalsen wist Vrouwkje te strikken voor een optreden ter gelegenheid van de landelijke gedichtendag, evenals Mustafa Stitou, Sven Ariaans en Yvonne Broekmans.

Optreden voor publiek is een van Vrouwkjes vele bezigheden. Het lag voor de hand dat haar in een gesprekje vooraf gevraagd werd welke activiteiten dat zoal zijn en hoe de onderlinge verhouding daartussen ligt.

Ik wissel beroepen af. Soms werk ik een langere periode grotendeels aan één ding. Een eigen boek, of een opdracht waarmee ik een volgende schrijfperiode deels ook weer financier. Ik schrijf voor muziektijdschriften, vooral grote interviews/portretten, ik verzorg al jaren de muziekafdeling van Opzij en werk als copywriter voor onder meer Het Concertgebouw. Af en toe heb ik een tijdje een groep studenten Creatief Schrijven.
Ik vind zelf de afwisseling heel fijn, die zorgt ervoor dat ik elke keer min of meer fris en nieuw begin aan een project. Ik heb nu net ruim drie maanden voor Het Concertgebouw geschreven en die enorme stroom teksten maakt mijn hoofd voor een deel leeg. Ik ben aan het eind van zo’n periode totaal vervreemd van mijn eigen poëzie. Als ik weer aan een nieuwe schrijfperiode begin, is dat meestal met verhalende essays. Pas als ik het echt nodig vind om een gedicht te schrijven, doe ik dat.
Overigens wil ik niet beweren dat dit DE manier is. Het is mijn manier. En het scheelt enorm dat ik al jaren journalist was toen ik voor mezelf ging schrijven.

Zijn deze optredens een verplicht nummer voor jou, een soort promotieact of haal je er voor jezelf ook voldoening uit?
Dat wisselt heel erg. Het staat niet centraal in mijn schrijverschap. Ik schrijf om zeer egoïstische redenen, namelijk omdat ik het graag doe.
Daar staat tegenover dat ik altijd hardop mijn teksten lees op diverse momenten in het schrijfproces, en ook graag onaffe gedichten uitprobeer voor een zaal. Dat leert me iets over welke kant het op moet – maar dat gaat minder over inhoud dan over klank en ritme.
Bovendien hoor ik heel vaak van mensen dat ze een gedicht veel dichterbij vinden komen als ze het horen. De dichter legt, neem ik aan, bewust en onbewust betekenis in zijn stem, en fysiek, in tempowisselingen, en in de eventuele toelichtingen.
Het is leuk om kwartjes te zien vallen.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik poëzieavonden vaak te lang vind duren. Zelf vind ik een voordracht van 8 tot 12 minuten een ideale concentratieboog. Meer is niet noodzakelijk beter. Als je echt wilt luisteren, is je hoofd op een gegeven moment ook gewoon vol. Ik vind hetzelfde gelden voor muziek, theater, beeldende kunst. Als ik iets hoor wat ik goed vind, of wat me intrigeert, dan wil ik het daar graag bij laten, het in mijn hoofd laten werken, en niet meteen iets anders horen of zien.
Ik bepaal ergens gedurende zo’n avond met welk gedicht ik begin en laat dan de rest ter plekke volgen, naar aanleiding van wat ik zie en voel aan de zaal, en ook een beetje rekening houdend met wie er voor en na me voorlezen. Als het lukt probeer ik in te haken bij iets wat ik eerder heb gehoord.
Luisteren naar de andere voordrachten lukt soms wel, soms niet. Vaak ben ik te signaleren met een haakwerkje in mijn handen. Op die momenten kun je er -anders dan sommige mensen denken- van uitgaan dat ik heel goed luister.

Heeft dat ook iets te maken met je opvattingen over poëzie?
Ik vermoed van wel. En met die over schrijven in het algemeen.
Ik heb er als journalist plezier in zonder omhaal, compact en toch helder te formuleren, en ben iemand die er zelden moeite mee heeft om zich aan het opgegeven woordaantal te houden.

In een van de eerste interviews in Meander (okt. 2004) noemde je Gerard Reve als voorbeeld van relativerende dichtkunst. Voel je je nog steeds verwant met hem?
Hij noemde zichzelf volksschrijver. Is Vrouwkje Tuinman een volksdichter?
Hahaha, nee, ik denk het niet. Ik mis daarvoor het gen dat ervoor zorgt dat je graag onder het volk bent. Waarmee ik niet bedoel dat ik een kluizenaar ben, helemaal niet. Maar ik ben niet iemand die het als onderdeel van zijn beroep ziet om los van het papier een mening over van alles te hebben en die publiek te verkondigen, aan het publieke debat deel te nemen. Dat is, vermoed ik, in 2014 toch echt een voorwaarde van het volksdichterschap.
Reve was in zekere zin ook een Gesamtkunstwerk. De vervreemding die hij veroorzaakte, zijn stem, zijn mimiek, zijn absurde televisieshows, het maakte allemaal deel uit van een en hetzelfde. Ik zou zelf bijvoorbeeld nooit stadsdichter willen zijn, want ik wil de ruimte hebben om soms grondig genoeg te hebben van poëzie als medium.

Reve relativeerde zijn betekenis niet echt. Hij noemde zichzelf ‘de grootste schrijver van Nederland’. Ik heb niet de indruk dat je hem dit (al) zou willen nazeggen, maar zou jij wel jezelf kunnen kiezen als je favoriete dichter? Met welk gedicht bijvoorbeeld?
Nee, ik zou mezelf niet kiezen als favoriete dichter. Daarvoor is mijn waardering voor mijn eigen gedichten niet constant genoeg. Elke bundel die ik maak is op dat moment het beste wat ik kan maken – ik wacht nadrukkelijk op dat moment en ben niet iemand die daarna nog gaat herschrijven, maar ik wil wel altijd meteen weer door met andere dingen.
Overigens is het wel zo dat soms, als ik iets voorlees of in een andere context een gedicht van mezelf tegenkom, alles ineens klopt. Dat ik denk: ja, dit is echt goed gelukt. Of zelfs: dat heb je goed gedaan. Dan ben ik haast jaloers op mijzelf, die persoon die dat ene blijkbaar een keer heeft bedacht.

Remise

Het fijne is, het is hier altijd dag.
Het is hier altijd avond. Het is hier
altijd zoveel graden. Er is een hand
die vaseline op je lippen smeert,
een buis die voor je ademt.
Naast je zit ik met een sjaal die
steek na steek voltooiing nadert.
Het fijne is dat het best snel gaat.
Vervelend is dat het te snel
gaat, ik veel te vlug voor jou
de draden aan elkaar vasthaak.
 

‘Zelf willen zien, maar niet gezien willen worden’ gaf je aan als onderwerp van je dichtbundel Vitrine (Meander, mei 2006). Zit je nog steeds op de stoel van de spectator?
Dat zit elke auteur wel, vermoed ik. Of je nu jezelf bestudeert of de buitenwereld. Het gegeven van kijken en daardoor definiëren is echter momenteel niet mijn onderwerp van schrijven, al een tijd niet. Mijn nieuwe gedichten gaan vooral over de maakbaarheid en houdbaarheid van het lichaam, over de zucht naar onsterfelijkheid. Daar kijk ik naar als buitenstaander en ik betrek het op mezelf. Het is een afwisseling.

‘Als buitenstaander’ Dat lijkt een eenzaam plekje op het eerste gezicht. In de bundel Intensive care werkte je samen met de fotografe Andrea Stultiens. Is zo’n samenwerking moeilijk?
Die samenwerking is nogal vanzelf ontstaan. Andrea en ik kenden elkaar helemaal niet, tot mijn beste vriend en haar zus samen een auto-ongeluk kregen. In de week erna lagen zij in coma. Andrea heeft in het ziekenhuis, in het rouwcentrum en bij de uitvaarten veel gefotografeerd – niet met een specifiek doel, maar omdat zij dat nu eenmaal doet. Net zoals ik er niet aan ontkwam over de gebeurtenissen te schrijven. Al vrij snel kregen we het idee dat het materiaal goed samenwerkte. Mijn gedichten zeiden dat wat de foto’s niet lieten zien, en andersom. Aanvankelijk dachten we dat we een boek gingen maken voor onze eigen kring, maar het is uiteindelijk een tweetalige bundel geworden met exposities in diverse landen. Inmiddels ben ik met Andrea aan een nieuw boek aan het werken, maar dat doen we ook grotendeels los van elkaar. Ik schrijf, zij fotografeert, de onderwerpen overlappen deels, maar illustreren elkaar niet.
Mijn gevoel zegt dat de weinige samenwerkingen die ik doe kloppen, omdat het resultaat meer is dan de som der delen. Ik heb sinds mijn studietijd vooral heel veel samengewerkt met Ingmar Heytze. En ik denk dat het er in de komende jaren zeker weer van komt dat wij samen een boek schrijven.

Het thema van Intensive Care lijkt zich in de bundel Wat ik met de sleutel moet en de roman De rouwclub steeds meer op de voorgrond te dringen. Opvallend genoeg schrijf je vaak op een lichte toon over rouw. Hoe bewust is dat?
Ik geloof dat ik die lichte toon in het dagelijks leven ook hanteer. In mijn ervaring is rouw niet synoniem met huilen en weeklagen. Het is geen proces dat zich op één manier voltrekt. Dat is ook wat ik in De Rouwclub probeer te beschrijven. Mensen hebben elk hun eigen rouwbeleving en geen ervan is meer of minder waardevol of echt.
Die drie boeken zijn ontstaan na het overlijden van mijn beste vriend en zijn partner. Het was niet de eerste keer dat de dood in mijn leven kwam – sinds mijn vader overleed toen ik zestien was heb ik nogal wat uitvaarten bezocht – maar wel de eerste keer dat mijn leven erdoor gekanteld werd. Als journalist werkte ik gewoon door, maar als schrijver heb ik al jaren bijna niets anders te melden dan zaken die met dood en rouw verbonden zijn. Dat is geen keuze, dat is gewoon zo. Dat betekent echter niet dat al die uitingen zwaar en somber zijn.
Afgelopen zomer heb ik nog een sterfbed meegemaakt. Daar was veel verdriet, maar er werd ook ongelofelijk gelachen. De dood zet verhoudingen op scherp. Maar laat ook zien hoe banaal sommige dingen zijn – en dat dat niet erg is.

Glijdende schaal

Is hij er nog? Hij is er nog.
Ik ga even niet meer praten, zegt hij.
Elke stap lijkt nu de laatste. Het nieuw
infuus, de ogen gesloten, de ogen open.
Hij mompelt dat hij even niets meer zegt.
Elk moment lijkt definitief. Misschien
blijft hij, blijven wij, voor altijd hier.
Is hij er nog? Hij ademt uit, is stil
en ademt dan weer in. Hij is er nog.
Ik houd even mijn mond, zegt hij.
 

Als onze lezers je als persoon willen leren kennen, lukt dat dan door je gedichten te lezen?
Uiteindelijk is het lezen van poëzie (of romans, of het bekijken van kunst, of het beluisteren van muziek) vooral een manier om jezelf te leren kennen, denk ik. Om na te denken, je standpunt te bepalen. Mijn ervaring is dat mensen mijn gedichten altijd lezen vanuit een eigen context. En dat moet ook.
Mijn gedichten zijn minder particulier dan ze misschien op het eerste gezicht lijken. Ik hoop dat mensen als ze Wat ik met de sleutel moet lezen niet bezig zijn met mijn rouw om mijn beste vriend, maar met wat het bij henzelf losmaakt.

In je agenda staat voor maart van dit jaar ‘Wenen, Oostenrijk’ . Voordragen in het Duits?
In het Duits en Nederlands. Buurvrouw is als Nachbarin verschenen in het Duits. Ik heb ook een dichtbundel in het Engels en er zijn allerlei andere dingen vertaald in die talen. Vooral in Engeland lees ik vrij veel voor. In Oostenrijk is het voor het eerst.
Het leuke aan voorlezen over de grenzen is dat het voelt alsof je helemaal opnieuw begint. Mensen hebben meestal nog niets van je gelezen. Het is niet je moedertaal.
Wat me ook opvalt is dat vooral in Engeland vaak enorm veel ruimte is voor q&a, zowel van de presentator als van mensen uit de zaal. En dat die ruimte ook welkom is: mensen dúrven vragen te stellen. Dat maakt dat je opnieuw moet nadenken over je werk, over waarom je schrijft zoals je doet. Het zorgt er soms voor dat je een gedicht voorleest dat je normaal gesproken terzijde schuift.
Wat ik zelf heel leuk vind, is vertellen over het vertaalproces, en het vergelijken van gedichten in meerdere talen.

Op 30 januari had Geldermalsen zowaar een kleine primeur. Een gedicht over adoptieprocedures. Het sloeg in als een bom.

Condities

Er is geen Nederlands woord voor special needs.
Dat geeft niet. Wij allemaal hier denken ruim
over de grenzen. Nigeria, Haïti, onze kinderen komen
van ver. Het taalverschil? Dat is slechts het begin.
De beelden van tv zijn fantasie. Niemand loopt
het weeshuis in, wordt (alsof het zijn moest) aangeklampt,
gaat voor altijd samen verder. De werkelijkheid
staat op een internationaal erkende lijst.
Alles begint met de toestand waarin het kind
ter wereld kwam. Misschien is het albino.
Epileptisch. Of er is iets met de maag. Een hazenlip,
dat telt niet, die vinden wij normaal.
Heeft u een trap? We hebben kinderen met een klompvoet.
Het is aan u om af te wegen wat u past. Wat u
kunt missen. Een vinger? De hele hand of zelfs een arm?
Alles graag apart aangeven, en voor we het vergeten,
er zijn er ook met juist een extra teen of vinger.
Dat opent mogelijkheden. Voorop staat dat u zich
moet realiseren: een kind dat door een buisje
in de buik gevoed wordt, eet nooit gezellig met u mee.
Tb of aids, het zijn geen zekerheden. Je moet
er tegen kunnen, er misschien zelfs interesse
voor ontwikkelen. Tegen vergoeding bieden wij
voor alle handicaps een thema-avond aan.
Stel, u gaat voor meervoudig. Dat kan bijvoorbeeld met
een wijnvlek en een rolstoel. Dat vergroot uw kansen.
Maar aan misschien heeft niemand iets. Dus is er ook een vakje
voor als u liever van speciale noden af wilt zien.
Maar daar gaan we niet van uit. Uiteindelijk
willen we allemaal hetzelfde. Sluit daarom minstens
drie condities in uw hart. Maar liever meer.
Graag met zwarte of blauwe pen ondertekenen.
 

Na afloop van de poëzieavond waren er voor het publiek posters en ansichtkaarten met gedichten van Vrouwkje.
Geen volksdichter maar wel een schrijver die heel dichtbij komt? De prachtige site laat wel iets in die richting vermoeden. www.vrouwkje.com.


Geplaatst in Interviews en getagd met .