Gedichten

In de zorg I, II en V

Beginners

Mevrouw Vogel zit es stil
U schudt onophoudelijk
Zo (dat is geen geheim)
komt niets terecht
van mijn professionaliteit.
Ik ben van de diepgang
In feite, ben ik de man
Van het levensverhaal
Van de existentiële crisis
Overeenkomstig mijn vak
Vraag ik u
Door de knieën
Mee te werken
Mijn vragen te beantwoorden
Mijn gehum te waarderen
Met een stortvloed aan nieuwe
Woorden en verhalen.
Ziet u niet
Hoe ze naar ons kijken?

Niet doen

Meneer ik hou u maar op
Met mijn getet
Seffens – dat denk ik dan –
Denkt u dat malle mens
Toch. Toch?
Dat malle mens
Heeft ook weer wat
Dat denkt u
Niet? Niet.
Nu hou ik m’n mond
Hoor U moet ook
weer aan het werk
U moet, ja dat vroeg ik
Me zo af als ik dat vragen mag
U als jonge vent
Wat u als jonge vent
Met al die oude vrouwen
Wat u daar als jonge vent
Wat u daar als jonge gezonde vent
Wat voor aardigheid
Wat voor aardigheid u er in hebt
Om tussen de oude vrouwen
Of. Echt ja ja? Ik zie
het zo
Ik zie het m’n eigen zoon
van uw leeftijd
Dat is zeker
Niet doen.

Zomaar een dag uit het leven van mevrouw

Mevrouw zit op vaste tijden
aan tafel
in een gedeelde huiskamer

in een gedeelde huiskamer
op vaste tijden
met andere mevrouwen
en een enkele meneer

wrijft met haar zakdoekje
over haar gezicht
“Ik woonde bij het Olympisch stadion.”

wrijft met haar zakdoekje
over de placemat voor zich
“Drie hoog. Onder ons zo’n joods gezin.”

wrijft met haar zakdoekje
het plastic van haar handtas op
“Asociale lui. Smeerkezen. Vieze mensen.”

wrijft met haar zakdoekje
langs de vleugels van haar neus
“Ik heb niets, niets tegen joden.”

dept met haar zakdoekje
onzichtbare kruimels van haar mondhoek
“Maar wat was ik blij toen ze werden afgevoerd.”

Geplaatst in Gedichten en getagd met .