Martijn den Ouden – De beloofde dinsdag

Kom wissel je tanden…

door Marijntje Gerling

De Amsterdamse dichter-predikant J.J.L. ten Kate schreef in 1866 zijn beroemde leerdicht De schepping. Ten Kate was daarmee niet de eerste die over de schepping reflecteert en hij zal zeker niet de laatste zijn. Ook Martijn den Ouden heeft de handschoen opgepakt. In zijn nieuwe bundel De beloofde dinsdag gaat hij eigenzinnig te werk. Lees het vers ‘in den beginne schiep hond de god en het bot’ maar eens.

in den beginne schiep hond de god en het bot
de god speelde in veld zee en hemel

moeder de god stak met kop en schoft uit boven de velden
zag dat alles vlak was
vlak en goed

van links kwam de god
drukte zijn neus in moeder de god
verloor een tand

kom wissel je tanden op een dinsdag
geef ons de namen van de god
het bot en moeder de god

Waar Ten Kate met zijn poëzie trachtte nieuwe negentiende-eeuwse (vaak natuurwetenschappelijke) ontwikkelingen te integreren in vertrouwde bijbelse kaders, doet De beloofde dinsdag dat, tot op zekere hoogte, net zo goed. Klassieke, bijbelse beelden (‘in den beginne…’) klinken ook hier. Den Ouden verbindt ze op zijn beurt met eigentijdse begrippen als ‘de beloofde dinsdag’. Dinsdag, de dag die heden ten dage bekend is komen te staan vanwege de onvermijdelijke dip. ‘Na een wild weekend met pillen en andere vormen van drugs hakt de kater er dinsdag hard in,’ schreef iemand eerder.

‘Kom wissel je tanden op een dinsdag’. Hiermee wordt expliciet gerefereerd aan Den Oudens debuut, Melktanden uit 2010. De dinsdag is het begin van nieuw leven, van een volgende stap in de schepping. Tanden worden gewisseld. De kindertijd is definitief voorbij en volwassenheid ligt meedogenloos op de loer. Dit alles gaat hand in hand met de zo kenmerkende stijl van de dichter: robuust, confronterend en altijd ambivalent. Maar dat wisten we al door Melktanden.

De beloofde dinsdag zit sowieso vol tegenstellingen: niet alleen staat het kind tegenover de volwassene, ook thema’s als heiligheid en onheiligheid (of hier: ‘onreinheid’) worden aan de orde gesteld.

rond dit bed
ruist een zee van honing
van bloed en wijn

ik was mijn handen in bloed
in bloed melk en honing
ik was mijn handen in heilig water
in rivieren in zeeën
ik was mijn handen in olie en zand
ik was mijn handen in de vrouw en de dieren die over het land kruipen
ik was mijn handen in de slang
ik was mijn handen in de longen van mijn grootvader
ik was mijn handen in het luipaardjong

heilig is het luipaardjong
heilig is het veulen

in de adem van het veulen was ik mijn handen
en ik ben rein

Opnieuw valt het grote aantal bijbelse referenties op: ‘[het land van] melk en honing’ (Ezechiël 20:6) en ‘ik was mijn handen in…’. Deze laatste uitdrukking is onder andere terug te vinden in het Nieuwtestamentische bijbelboek Matthéüs. Matthéüs 27 vertelt het verhaal van Jezus die bij stadhouder Pilatus wordt gebracht. Wanneer Pilatus de opdracht heeft gegeven om Jezus te kruisigen, wast hij ten overstaan van het hele volk zijn handen en zegt: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen.’ Het ‘je handen wassen in onschuld’ is een oud ritueel, maar Den Ouden geeft er een nieuwe vorm aan. De inhoud blijft echter bestaan. De menselijke drang ‘rein’ te zijn en het (beloofde!) land van melk en honing te vinden en te betreden lijkt een existentiële waarde.

Opvallend verder is de aandacht voor kleur in de bundel. Het zal alles te maken hebben met de achtergrond van de auteur. Den Ouden studeerde af aan de Gerrit Rietveld Academie te Amsterdam. Met name de kleur ‘blauw’ springt eruit. Ter illustratie een fragment uit een proza-achtig aandoend stukje uit De beloofde dinsdag.

denk maar aan iets blauws, aan een zwembad met aan de rand rustende
vrouwen in blauwe badpakken die met blauwe rietjes van blauwe
cocktails drinken en boeken lezen met een blauwe kaft en soms kijken ze
even op naar de hemel om zich ervan te vergewissen of het uitspansel
nog helder en strak is, of er niet ergens een wolkje drijft, en nee,
de lucht is kraakhelder, hemelsblauw, en de vrouwen leggen hun boeken op hun
benen, met de blauwe kaft naar boven, bekijken hun blauwgelakte nagels,
nemen een slok met het blauwe rietje van hun blauwe cocktails…

‘Blauw’ is de kleur van het hemelse, het betrouwbare, het geestelijke. Dat alles wordt hier verbonden met bij uitstek aardse zaken: zonnende vrouwen, luierend en nippend aan een drankje, bakkend in de zon. Juist de contrastwerking is het sterke aan dit vers. Als lezer wordt je blik bijna ongemerkt afgewend van deze platte, leeghoofdige dames en getrokken naar meer verheven zaken.

Uiteindelijk blijkt de schepper echter ook maar een mens van vlees en bloed. In de trant van ‘En dan komt er een olifant met een grote snuit en die blaast het hele verhaaltje uit…’ besluit de dichter zijn bundel. Aan het einde van het laatste gedicht roept hij bijna laconiek uit:

hé!
ons grafiet is op

De schepper is afhankelijk van zijn schrijfwaar. Zonder potlood is ie niets. Dat getuigt van een gevoel voor ironie, maar ook van zelfinzicht. Toch is deze bescheidenheid niet op z’n plaats. Want Den Ouden is zonder twijfel nog niet in staat om te stoppen met scheppen. En dat is maar goed ook.

***
Martijn den Ouden (1983) studeerde in 2009 af aan de Gerrit Rietveld Academie, afdeling Beeld en Taal. Naast schrijver van gedichten en korte verhalen is hij beeldend kunstenaar: hij maakt collages en schilderijen. Zijn bundel Melktanden werd door De Poëzieclub ‘Het boeiendste debuut uit 2010’ genoemd.

Geplaatst in Recensies.