Maarten Embrechts – Dagen van koffie en van brood

Van nergens naar elders

door Ivan Sacharov

Maarten Embrechts schrijft autobiografische poëzie, die – in mijn ogen althans – enigszins folkloristisch aandoet. Als niet-Belg proef ik duidelijk verschil. Maar dat is niet het punt wat hij wil maken, denk ik. Embrechts gaat het meer om de worsteling van het volwassen worden in een milieu dat niet onverdeeld positief staat tegenover een andere (seksuele) geaardheid. Een geaardheid, mogen we aannemen, die ook bij de band met zijn moeder – met wie hij zich meer dan eens vergelijkt – een belangrijke rol speelt. Het eerste gedicht van de tweede afdeling ‘De schoenen van mijn moeder’, ter illustratie:

Assepoester

Voor de spiegel oefen ik mezelf Nog even
kan ik als mijn moeder wezen Ik heb net
als haar nog schoenmaat zes Dan moet ik

mezelf in boeken lezen Word ik ooit een
held Ik wil niets van vaders weten Alleen
maar hun haren strelen En dat is al eens

gezegd Met het alfabet moet ik nog meer
gaan schuiven Iets in het dichtersvak? Nu
ik niet meer in de rol van Assepoester pas

Veel elementen van deze poëzie komen in dit gedicht aan bod: de band met de moeder, de ontluikende homoseksualiteit, de beginnende belangstelling voor poëzie, die grappig wordt weergegeven door te suggereren dat als er maar genoeg met het alfabet geschoven wordt (naar het dichtersvak), het voor de dichter een vak wordt.
Ook de enigszins onderdanige slachtofferrol waarin de dichter zich vaak plaats (hij lijkt zichzelf laf te vinden) is al zichtbaar: ‘Word ik ooit een held’.
Een dichter wil begrepen worden, denk ik. Daarom ga ik hier op in. Maar eigenlijk zijn inhoudelijke zaken zoals deze, wat mij betreft, niet echt ter zake doende. Of het om goede of slechte poëzie gaat wordt er nauwelijks door bepaald (daarvoor ben ik teveel een buitenstaander, is dit te autobiografisch). Nee, het meest interessante plekje in dit gedicht wat de kwaliteit betreft is voor mij het woordje ‘Nu’ in de één na laatste regel. Moet dat geen ‘Als’ zijn? De schoenmaat van zijn moeder past de ‘ik’ toch nog steeds? Of denkt de dichter zich al voorbij de periode waarin hij ‘nog even als zijn moeder kan wezen’? Een beter gedicht vind ik:

VI

Nog een keer wil ik naar hier verhuizen Ik wil
nog een keer bij mijn ouders weg Misschien
naar dokter Freud of naar Edmund Husserl In
ieder geval genezen Ranzig en benepen is het
land vanwaar ik kom Hier tussen Le Pôle Nord
waar de oefenschool gelegen is en Le Pôle Sud
is alles breder uitgemeten voor mijn hoofd Twee
kilometer lengte een goede breedte en geventi-
leerd Het moet volstaan voor de tussenwereld
die ik bouw halverwege man en vrouw Slechts
diegenen die van elders komen of van nergens
zijn zullen straks mijn vreemd accent begrijpen

Een gedeelte uit het langere gedicht Malonne, dat het derde hoofdstuk van de bundel uitmaakt. Ik citeer dit vooral om de laatste vier regels, die een soort status quo van de dichter lijken weer te geven. Hij verkeert in een tussenwereld (tussen de noordpool van zijn hoofd en de zuidpool van zijn verlangen?), die hij zelf creëert. Dit zal waarschijnlijk met zijn geaardheid te maken hebben, maar het leuke is dat ook poëzie een soort tussenpositie bekleedt: tussen gewone taal en wat zich niet laat benoemen. Zijn positie in het dagelijkse leven lijkt de schrijver in dit verband dus nog eens extra geschikt te maken voor het ‘mediamieke’ vak van dichter.
Intussen gaat achter deze tussenpositie natuurlijk een tragiek schuil. De onmogelijkheid om iets of iemand ‘volledig te zijn’ kan op een pijnlijke manier aan iemands identiteitsgevoel knagen.

Het jammere van deze gedichten is dat de autobiografische details slechts hier en daar tot echte poëzie leiden. De dichter blijft misschien iets te vaak in het prozaïsche steken. Sommige stukken zijn ook wat te persoonlijk, waardoor je als lezer niet altijd even geboeid blijft. Het sterkst lijken mij de gedichten over het dementeren en de dood van de moeder. ‘Ons moeder sterft Terwijl haar lichaam plaats maakt voor zichzelf’, schrijft de dichter daarover ergens. En dat is dan inderdaad een prachtige regel, die helaas als een eenzame piek in een verder plat – prozaïsch – taallandschap staat. Wellicht omdat de dichter altijd al als zijn moeder wilde zijn maakt het volgende gedicht – dat ik als laatste wil citeren – indruk:

Het Rijk der Vrouw

Ze komt steeds dichter in me wonen Mijn hoofd
is een verhaal waarin zij rond kan lopen Een huis
vol tovermeubels en oude gewoontes Soms is ze
in me als een kind op zolder Ik kom steeds dichter
bij haar wonen als we op weg naar Zevendonk
vergeten koffers openen Ik woon dan in haar klok
of op een luipaardvel nog uit de Congo en in de vele
hebbedingen die haar toebehoren de kostschool
aan het Rivierenhof Maria Bets en in Steenuffel
nog een nonnetje dat weer tot leven komt Veel
grootser dan in haar kerkdorp wil ze bij me wonen
met serviesgoed en met kleren die met een geur
van peperkoek uit Brussel komen en met liefde nog
in afleveringen en met foto’s uit Het Rijk der Vrouw

Wat de dichter toen zijn moeder nog leefde niet lukte wordt mogelijk bij haar dood: ‘ze komt in hem wonen’. Ze kan niet anders meer. En hij kan (toegelaten tot het rijk der vrouw) niet meer naar haar toe, maar ook niet meer van haar weg. Op een paradoxale manier wordt hiermee zijn identiteit toch wel bevestigd en zijn positie in ‘het tussenin zijn’ vastgelegd.

***
Maarten Embrechts werd in 2010 door Anna de Bruyckere voor Meander geïnterviewd.
Lees dit interview hier.

Geplaatst in Recensies.