Gwy Mandelinck – Lotgenoten

De lotgevallen van Mandelinck

Syrië, Centraal Afrikaanse Republiek, Mali, Kongo. Daders en slachtoffers. Lotgenoten. De vraag rijst of wij die daarvan horen en getuige zijn, eveneens lotgenoten zijn. Al die beelden en getuigenissen roepen een verantwoordelijkheid bij ons wakker. Als we deze niet nemen, dan zien we vroeg of laat getraumatiseerde lotgenoten uit die gebieden ongevraagd in onze straten verschijnen. Of we willen of niet, we zijn lotgenoten.
Iets van die beklemmende werkelijkheid lezen we in de eerste afdeling ‘Over de grenzen’ van Lotgenoten, de nieuwe bundel van Gwy Mandelinck. Een ingehouden maar niet minder klemmend engagement steekt de kop op tussen zijn scherp gebeitelde versregels. Mandelinck is een berekenend dichter. Hij wikt en weegt het effect van zijn woorden en beelden. Hij wenst geen woord te veel te schrijven. Zijn poëzie geeft de lezer veel te denken:

Lotgenoten

Uit cellen aangekleed
met kippenvel;

tot op de laatste lepel
mager gelikt.

Ze baden met schuld beladen
in fonteinen. Korsten losgeweekt.

Op hun schoot straathonden,
lotgenoten, sluikstort onder struiken.

Op de omslag van zijn nieuwe bundel staat een stilleven afgebeeld: een takje met drie wilde boomvruchten, en iets verder daarachter één losse vrucht. Uitdrukking van verbondenheid tegenover op zichzelf staand verloren zijn; van in samenhang zien tegenover aan het zicht onttrokken raken. Dat laatste laat Mandelinck ons in tal van gedichten uit deze bundel zien, zowel buiten als binnen de grenzen van de taal. De opmerkzame waarnemer in hem toont ons wrange beelden over de geografische grenzen heen en binnen de grenzen van onze waarneming. Beide grenservaringen dreigen zich aan ons zicht te onttrekken.

Zijn ‘concours tropical’ door denkbeeldige streken met uitzinnig geweld levert scherpe beelden op. Mannen, vrouwen die met kommen op hun hoofd langs de weg lopen en even uit evenwicht raken: ’een oproer van ellebogen.’ Gruwelijke beelden van opgezette hoofden. Kindsoldaten: ‘Ze reizen in colonnes geranseld/ en gegespt./’ Afrika in zijn onophoudelijke strijd in de savannen: ‘Hoe luid ook losgeld/ rinkelt: geen polsen vrij.//’. Limieten worden overschreden. Overvallen vinden plaats: ‘Belagers schrikken op,/ verdoofd. Verderop en voet// in de bedrading/ van de nacht.//’.
Allerlei aspecten van de strijd komen aan bod: vluchten, overlopen, verkrachten, signalen in de nacht, beleving van angst en dreiging van gevaar. Hoezeer Mandelinck ook laat zien dat de strijd op de tast plaatsvindt, hij zet zorgvuldig woord voor woord in geblokte stijl deze afschrikwekkende werkelijkheid voor ons neer. De beelden zijn messcherp, afgemeten, passend. Sommige gedichten deden me in hun lijnenspel denken aan de abstracte landschappen van Gerrit Benner:

Chaleur

Uit dorpen verdreven. Boven
hen aasvogels, vuurvreters

de vleugels glad geslepen:
en stuifwolk van as.

Stappen tellen in verloren
grond. Onder druk

van hitte heft men schalen, beeft,
elke druppel gemorst gemis.

De hele eerste afdeling ‘Over de grenzen’ maakt sprakeloos. Wat we te zien krijgen, laat zich niet in woorden vangen. Het stemt cynisch en bewogen tegelijk: ‘Hoe zwaar dat drukken kan?// Geen lijk dat doorgezakt/ een weegschaal raakt.//’. Al die gedode rebellen. Wat doet dat met een mens? Mandelinck eindigt deze afdeling met een onthutsend beeld:’ Zandstormen./ De woestijn legt kelders// bloot: tongen in een wrong,/ schedels, ketels gelapt.//’. Als we dit slagveld overzien, dan blijft de vraag wie met wie verbonden is. De slachtoffers, de daders en/of de waarnemers? Mandelinck voelt zich als waarnemer een lotgenoot verbonden met deze daders en slachtoffers. Zijn poëzie roept niet op tot een verantwoordelijkheid nemen, maar zet er indirect wel toe aan.

In zijn tweede afdeling ‘Binnen de grenzen’ opent hij met de overmoedige vogels die in ‘stadsparkpoelen’ duiken. In hun bewegingen, omhoog en omlaag, veroorzaken zij ‘nauwelijks een rimpeling,// een spoor/ van wat verdween.//’. Weer zo’n Benner beeldvorming. Dit soort verdwijningen tracht Mandelinck in beeld te brengen. De sporen van terroristisch opererende ‘hanenkammen’ uitgewist door smeergeldpraktijken, de zwijgplicht waarbij het ‘Gebit snoerdicht// op slot gekrast: geen kaken te breken;/ geen woordgeheimen prijs te geven.//’. Zoals hij de vloeiende beweging van de dalende vogels met slechts enkele woorden in beeld weet te brengen, zo is hij tegelijkertijd in staat de onverzettelijke houding van de terrorist neer te zetten. Mandelinck beschikt met zijn geblokte verzen en messscherpe beeldvorming over de vaardigheid het hele spectrum aan stemmingen en sferen te verwoorden. Situaties stellen zich voor je open. Met de beperkte middelen en woorden die hij inzet, steekt hij de spade van zijn archeologische drijfveer diep in de grond om te achterhalen wat niet meer te achterhalen lijkt:

Recherche

Van wie ze zoeken niet de helft
te vinden: inderhaast verdwenen van

de ene in de andere hand;
routes gesplitst, modder

wist de zolen uit,
eelt trapt vilt, de tenen

in hun veelvoud gesleten.
Wat men vindt: een pluk van haar.

Hij gaat op onderzoek uit. Ook in deze tweede afdeling zijn schrille kreten van geroofde kinderen hoorbaar. De zelfkant van de maatschappij dringt de versregels binnen. In alles wat hij hier laat zien, doemt een schimmenrijk van onzichtbare handelingen op: ‘Rest de schim van wie verdween.//’. Missing, patrouille, zoektochten naar wat niet meer valt waarnemen. Op zoek naar wat zich voorbij het oog en het oor aan ons kan voordoen, maar ook wat ineens naar de oppervlakte gehaald kan worden als een ‘potvis,// een zeppelin in ene zoutstrook/ bewaard. Straks leeg gelepeld.//’. Na al die onverbiddelijke beelden breken ‘gouddraden uit de zon,/ die losbol,/’ door in de laatste verzen. Een herwonnen paradijs, maar ‘het Beest/ met zware staart/ vlegelt delfstof in een wolk.//’ De dreiging blijft.

De dichter Mandelinck lijkt als een vogel over het aardoppervlak gevlogen te zijn. Met zijn scherpe blik is hem het geluk en ongeluk in het oog gesprongen. Hij voelt er zich niet door verpletterd of bedreigd. Zonder dat hij zijn zicht op het ‘paradise regained’ uit het oog verliest, onderkent hij wel de allesbepalende werking op ons allen van dit aan tweestrijd onderworpen bestaan. We zijn allemaal lotgenoten van elkaar.

Niet al zijn woorden en beelden zijn direct te duiden. Uit de suggestie die zij oproepen, spreekt kracht. Zijn gedichten blijven vragen om betekenis. Ze geven zich niet onmiddellijk bloot. Het begint met de vorm, een enkel woord, een beeld, een enkele zinsnede, een strofe, een motto. Dit is een bundel waar je in hink-stap-sprong door heen gaat, voordat je patronen gaat ontdekken. Ik ben uiteindelijk onder de indruk geraakt van de zeggingskracht van deze poëzie. Het vraagt wat tijd om de vensters geopend te krijgen en jezelf in de spiegel te zien.

***
Gwy Mandelinck was gedurende achtentwintig jaar artistiek leider van de Poëziezomer in Watou die hij in 1980 oprichtte en tot 2008 als artistiek directeur leidde. Hij publiceerde zes bundels. Zijn meest recente, Overval, verscheen eveneens bij De Arbeiderspers. Voor zijn werk ontving hij onder andere de vijfjaarlijkse Prijs van de Vlaamse Provincies, de Maurice Gilliamsprijs en de Guido Gezelleprijs.

Geplaatst in Recensies.