Harry Vaandrager (sam.) – Alles te verbergen / Niets te verbergen

De geheime levens van dichters

door Levity Peters

Wat een prachtig idee! Een estafette van dichters die reageren op de thema’s ‘Alles te verbergen’ of ‘Niets te verbergen’.  Het idee is afkomstig van schrijver Harry Vaandrager, die tevens de samensteller is. Het riep bij mij verwachtingen op, en een minstens even grote nieuwsgierigheid. Durfden de dichters zichzelf uit te dagen? Zouden ze zichzelf meer bloot durven te geven dan doorgaans? Ik moest denken aan onze steeds meer beperkte privacy, George Orwell’s ‘Big Brother’ en aan anarchie.

Bleken de dichters in staat om nieuw licht te werpen op deze universele hedendaagse thema’s? Hoe interpreteren zij ze?

Het ‘Niets te verbergen hebben’ heeft bravoure: ‘Ik durf voor iedereen te zijn die ik denk te zijn, zonder terughoudendheid.’ Het maakte mij nieuwsgierig. Ik wilde graag weten wat de uitdager allemaal riskant genoeg vindt om zich voor niemand te verbergen.
Het eerste deel van de omvangrijke bundel valt onder dit thema.

Hierna volgt een hoofdstuk met afbeeldingen van kunstwerken die op basis van beide thema’s door de benaderde kunstenaars zijn uitgekozen, waarna de bundel besloten wordt met het ‘Alles te verbergen’. Ook dat heeft alles met de ander, met de buitenwereld te maken, maar met een buitenwereld die als zo bedreigend wordt ervaren dat je alles,  je lichaam, je handelingen, je ideeën en je gevoelens zou willen verbergen. Het opvallende, maar ook voor de hand liggende is, dat de meest exhibitionistische verzen zich in deze laatste afdeling bevinden.

In gewone omgangstaal zou het al een probleem zijn om aan welk van deze thema’s ook  (vooral aan het laatste), uiting te geven. Hoe rechtvaardig je je keuze, of overtuig je je lezers van de geldigheid van jouw houding van open- of geslotenheid?
De thematiek is niet vreemd aan de poëzie. Elk gedicht legt zowel iets bloot, als dat het versluiert.

Poëzie drijft op suggestie.
Wanneer je het over suggestie hebt, dan heb je het over de reactie van de lezer op het geschrevene: de projectie van zijn of haar persoonlijke beelden, en is er in wezen geen sprake van directe openheid van de dichter,  die slechts uitnodigt uit tot identificatie.
De thema’s lijken de 44 deelnemers aan dit project tot een persoonlijke stellingname te dwingen, maar de aard van poëzie geeft de mogelijkheid om aan het specifieke van de thema’s te ontsnappen, wat dan ook nogal wat dichters doen.

De bundel opent met een mooi gedicht van Peter Verhelst, dat ik helaas al kende uit de bundel Wij, totale vlam (2014) en heeft weinig met de thema’s te maken. Het begint dan ook met: ‘Weet je nog’, enz. Jammer. Echter, als inleiding functioneert het, want het ontlokte aan Hester Knibbe het volgende gedicht:

Wat van de berg waait, vult het dal op en
de lengende dagen likken korter en korter de nachten.

Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je
zijn slagpennen kunt tellen, maar hoe vertaal je zijn roep?

Iemand kan naakt op zijn spitzen dansen, armen gespreid,
en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo. Ik heb

kamers met dichte gordijnen en niets te verzwijgen
zolders en kelders met sloten en codes die ik licht

verraad door zomaar te blozen. Soms
kraak ik mijn hunker als een walnoot, toon

de helften in mijn handen open: kijk dit ik. En enkel ik
ken het onnavolgbare tuimelen in mijn hoofd.

Wanneer je zo kunt reageren op een je aangereikt gedicht, dan buig ik daar diep voor. Chapeau!

Inge Braekmans plaatst zaken die doorgaans als intimiteiten worden gezien in samenhang met minder intieme zaken, als zijn zij van dezelfde natuur, dus natuurlijk:

(..)
Sehnsucht die wij telkens weer nieuw leven schenken

in deze oneindige ruimte van onze ontluikende paringsdans.
Van de zee die ons opwekt als een golfslag van lust in het zand.
Je testikels in mijn hand, de wereld van de goden die even
de poorten van de dagelijksheid betreden en de mist die op

de oesterbanken drukt, in het froton van de hemel gegrift.
Want ik heb niets te verbergen. (..)

Waarom, tot twee maal toe dat laatste zinnetje? Waarom dient zij het zo te benadrukken? Om welke reden wordt zij niet vertrouwd? Niets te verbergen en toch bang. Bepaald een onthullend gedicht.

Er blijken maar weinig dichters te zijn die het contrast tussen openheid en geheimhouding blootleggen. Piet Gerbrandy is er een van, met dit prachtige gedicht:

Vanwaar die blauwe plekken op uw armen?
Daar liggen dikwerf schedels die ik troost

Waartoe die schuimkraag op uw dunne lippen?
Ik wil alleen door wie verdorst gekust.

Hoezo die huidrits in uw dij en kuitspier?
Opdat wat brak zwelt ademt en weer slinkt

Waarom hebt u dat masker los gesneden?
De wangen smachtten naar een koele bries.

Wat maakt uw handschrift grillig en onleesbaar?
De zinnen die het zwachtelt zijn gewond.

Vanwaar die rode vlekken op uw vingers?
Dat doet een aardvrucht die te schielijk rijpt.

Welk wonder denkt uw offer aan te richten?
Een heling die verholen liefde wit.

Dan zijn er nog de dichters die zo bescheiden zijn, dat zij dicht bij het voorgaande gedicht  durven te blijven: Jan Lauwereyns heeft bijna een sobere maar subtiele vertaling gegeven van het hermetische gedicht van Lucas Hüsgen (hoezo: Niks te verbergen?!), terwijl Lauwereyns’ gedicht toch authentiek is. Ook Sylvie Marie ging, de opdracht getrouw, in op het gedicht van Hans Tentije. Een mooi, geconcentreerd, licht gedichtje van haar. Zij blijken erg goede lezers te zijn, een voorwaarde voor het schrijven van goede poëzie. Ook Lies van der Gasse blijft in haar reactie op ‘Imago’ van Mischa Andriessen onverwisselbaar Van der Gasse.

Tot nu toe heb ik slechts voorbeelden aangehaald uit de reeks: ‘Niets te verbergen’. In het eerste gedicht van de reeks ‘Alles te verbergen’, blijkt Arjen Duinker perfect te weten waartegen en hoe hij zich wenst te wapenen: voed je vijand zoveel informatie, vertel hem verhalen met zoveel zogenaamde feiten dat hij de weg kwijt raakt tussen de bomen van het bos.

(..)
Waar kan ik je vinden? vroeg de minister.
In de mist van tranen waar u geen oog voor hebt, zei ik.
(uit: Spel)

Hoe moeilijk het is om adequaat te kunnen reageren op een gedicht met zoveel zeggingskracht, blijkt uit het direct erop volgende gedicht van Eltjo Muntinga:

(..)
Toch kan ik het niet laten verhalen te vertellen,
Waarin de woorden zich oneindig uitstrekken.
(uit: als een rivier)

Daarna volgen verhaaltjes,  fantasieën over de ik figuur, maar zij komen niet van hem los. Dat een estafette gedicht niet helemaal lukt is geen schande: ik had niet graag in zijn schoenen gestaan, met slechts een week de tijd om het gedicht te schrijven. Het maakt deelname aan zo’n project tot een riskante onderneming: het kan zijn dat mensen via deze bundel kennismaken met jouw werk, terwijl het niet werkelijk een afspiegeling is van jouw dichterschap.
Ik begrijp die dichters goed, die een sluipweg hebben genomen, en het persoonlijke van dit project hebben genegeerd.
Yannick Dangre heeft een mooi gedicht geleverd, maar hij reageert evenmin als zijn voorganger (Kees ‘t Hart) op zijn voorgangster (Delphine Lecompte) die op haar beurt – Dan ineens weer heb je een gedicht van Hedwig Speliers met de titel: ‘Waarover Van der Graaff niet spreekt’, verwijzend naar de dichter van wie zij het stokje overnam:

(..)
O hoe weinig hebben we te verbergen
tenzij het verborgene. Welnu
drink uit de kom van je handen
de alsem van de dood,
(..)

Dat er toch volwaardige poëzie is geschreven, speciaal voor dit project, mag dan ook bijna een wonder heten.
Van de veel te vroeg overleden Erik Menkveld, aan wie deze bundel is opgedragen dit gedicht:

Heimelijk

De trafiek is inderdaad aanzienlijk toegenomen.
Maar door verscherpt toezicht op het havengebied
ontsnapt geen bananendoos of sporttas onze aandacht.

De enige bar op ons blinkend eiland beschikt
over een stoomgenerator en is helverlicht.
In geen tien jaar werd er een uniform gezien.

Onbekende zaaddonoren vind je hier niet.
Al onze mannen slapen achter open deuren
met de jonge demonstranten onder een dak.

Zelfs van de kleinere betogingen tegen vermeende
illegale lozingen wordt het neerslaan
nauwlettend in beeld gebracht.

En dan de zogenaamde zwijgcontracten.
Alle medicatie loopt hier de bloedvaten in
uit steriele, transparante zakken.

Repressieve tolerantie. Daar lijkt mij dit gedicht over te gaan; een van de mechanismen van de macht. Op de een of andere manier lijken alle gedichten daarvan te getuigen. We mogen vandaag de dag schrijven wat we willen, wat de relevantie van het geschrevene verkleint. Linkse hobby’s. Anneke Brassinga begint in ‘De Kale Zangeres Zonder Naam bezingt een open deur’ te schrijven over seks:

Mijn doos ontbeert bananen van ‘t banaalste soort
nu mijn vriend naar Togo is gegaan om ze te kweken.
Had ik de eeuwige leugen horen te vertellen? Hoe
(..)

Om te eindigen met het bewaren van een verboden gloeilamp.

Het heeft er de schijn van dat wij op de een of andere manier de dreiging voelen van een hogere macht die onze vrijheid kan beperken of te niet doen, en waar wij totaal geen zeggenschap over hebben. Die wij dus uitdagen om zich te tonen, of angstig verwachten. Is het in deze context verassend dat mensen naar Europa wijzen als de boosdoener, of een zondebok zoeken in de vorm van ‘de buitenlander’? Wonderlijk eigenlijk dat de religie in deze bundel ontbreekt! Op een gedicht na, dat van Paul Claes, waarin hij zich identificeert met Jezus:

(..)
Geen rots verbergt mij in haar schoot.
(uit: Via dolorosa)

Rest mij nog te wijzen op de middelste afdeling van de bundel: de beeldende kunst. 29 prachtige bijdragen in kleur, samengesteld door beeldend kunstenaar Carine Weve. Mijn favoriet: Karin Arink met ‘Hiding behind milk’.

Een mooie, bij vlagen verrassende, interessante bundel.

Geplaatst in Recensies.