H.C. ten Berge – Cantus Firmus

Hoe het is om nu te leven

door Joop Leibbrand

Meer dan twintig jaar terug verzamelde H.C. ten Berge in Materia prima (Meulenhoff,1993) de tien bundels die vanaf zijn debuut Poolsneeuw (Polak & Van Gennep,1964) tot op dat moment van hem verschenen waren. Omdat hij dit jaar niet alleen zijn 75e verjaardag maar ook vijftig jaar schrijverschap viert, gunde zijn huidige uitgever Atlas/Contact (Ten Berge wisselt nogal eens, hij publiceerde ook bij De Bezige Bij) hem met Cantus Firmus een mooie uitgave van de bundels van na 1993, inclusief het volledig nieuwe Kerven, kastijdingen.

Het dichterschap van Ten Berge heeft voor mij altijd iets imponerends, om niet te zeggen epaterends gehad. Neem alleen al de ‘moeilijke’ titels van de twee verzamelbundels. ‘Materia prima’ is zowel een term uit de filosofie: ‘oerstof’, de ultieme substantie waaruit, waarin, en waardoor alles bestaat, als een begrip uit de alchemie: de aanduiding voor een van stof gezuiverde materie die het potentieel heeft te transmuteren tot bijvoorbeeld goud. Lees er de werkzaamheid van de dichter in, met zijn enige grondstof, de taal.
‘Cantus firmus’ (‘vaste zang’) is in de oude muziek de aanduiding voor de partij die het melodische motief aanhoudt, dat door andere stemmen wordt omspeeld. Ook hierin onderkennen we de dichter, die wil vasthouden aan het eigen lied, de eigen zang.

Dat is wat Ten Berge altijd heeft gedaan, waarbij echter het paradoxale is, dat er – misschien op Paul Claes na – geen dichter te vinden is die zoveel invloeden heeft verwerkt en zo vaak teksten van anderen in het eigen werk heeft geïntegreerd als juist Ten Berge, die als een literaire omnivoor als vanzelfsprekend een groot deel van de wereldliteratuur incorporeert.
Dat internationale aspect heeft van het begin af aan een belangrijke rol gespeeld. Je hoeft Op een mat van gele veren, een keuze uit zijn poëzievertalingen 1968-2003 (deels eerder in zijn eigen bundels opgenomen), er maar op na te slaan om onder de indruk te raken van zijn veelzijdige belangstelling en vooral ook van zijn eruditie.
Ten Berge lezen is in contact komen met de poëzie van de Azteken, met Inuitdichters, Aboriginals, de Grieks-Romeinse mythologie, Johannes van het Kruis, de vagantenliteratuur, de Japanse Nō-spelen, Bashō, maar ook met Ezra Pound, Breyten Breytenbach, Xavier Villaurrutia, Hilda Doolittle, Mark Strand, Ted Hughes, Gunnar Ekelöf en vele, vele anderen. En op onverwachte momenten valt zomaar een middeleeuws citaat van Hadewijch of Anna Bijns.

‘Men kan zich afvragen wat iemand ertoe brengt een leven lang gedichten van buitenlandse collega’s uit heden en verleden in een andere taal over te brengen’, vraagt Ten Berge zich in de inleiding bij Op een mat van gele veren af. ‘Een drijfveer van algemene aard is de overtuiging dat het […] nog altijd de moeite waard is de cultuur te verdedigen en, waar mogelijk, uit te dragen, zelfs al is de reikwijdte daarvan beperkt’, luidt zijn antwoord, en hij voegt eraan toe: ‘Men doet wat men kan.’ ‘Maar wat niet minder telt’, vervolgt hij, ‘is de verwachting op onvoorziene ogenblikken door de poëzie van anderen verrast en gevoed te worden.’

‘Liefde en poëzie/ worden[…] met lippen beleden’, schreef hij in ‘Over de tong IV’ (Va-banque, 1977) en in ‘Terug in Roulettenburg II’: ‘Er zijn altijd plaatsen/ waar men geweest is/ voor men er kwam.’ (id.) Dat laatste is dus zowel letterlijk als figuurlijk te nemen.

Het levert voor wat betreft zijn eigen werk eigenzinnige poëzie op, waarin Ten Berge zich even vaak een epicus toont als een lyricus. In de stroom van zijn gedichten heeft hij iets van een orator, die met zijn taalbouwsels andere landschappen, andere werelden, andere culturen en andere tijden verbindt, nochtans zonder aan de eigen tijd voorbij te gaan, want van wereldvreemdheid kan Ten Berge geen moment verdacht worden, al is er wel een dimensie in Ten Berge’s dichterschap die ver voorbij gaat aan het gewone dagelijkse bestaan, of zoiets als huiselijk leven. Wat dat betreft is het: weg van hier!
Wellicht is ontheemding zelfs het kernthema in deze poëzie, zeker waar zij zich richt op de mythische wereld, het rituele en sacrale, dood en vruchtbaarheid.

Niettegenstaande de steeds hoge inzet isTen Berge zeker ook een bescheiden dichter. In ‘Maker & model I’ (De witte sjamaan, 1973) schreef hij: ‘Het gedicht een zo leeg/ mogelijk beeld van de maker/ dat daarin samenvalt met zijn model.’ In ‘Vogel II’ (id.) stelde hij vast: ‘Ik schraap schrale/ taalexcrementen.’ en in ‘Vertraagde missive’ (Overgangsriten, 1992) is de dichter ‘de bewogen woordluis’, die zich eerder (‘Gedicht voor X.V.’, Liederen van angst & vertwijfeling, 1988) afvroeg ‘[…]of de dood een compagnon is voor het leven/ die ons pas ontvalt/ zodra we sprekend op hem lijken.’ ‘Poëzie verzet de zinnen’, schrijft hij in Oesters & gestoofde pot (2001), maar hij weet dat ‘Wat poëzie vermag blijft ook/ duister op klaarlichte dag.’En in ‘In de Piazzolastraat’ (Het vertrapte mysterie, 2004) benadrukt hij nog eens ‘Dat je begint, telkens/ weer, terwijl je er zelf niet toe doet.’

Regelmatig blijkt Ten Berge ook een licht vileine kant te hebben, niet verwonderlijk natuurlijk voor iemand die in staat is de eigen cultuur van afstand te bezien. Met sardonische spot brengt hij bijvoorbeeld ‘Een saluut aan het genootschap vrienden van het Hollandse realisme’ (De witte sjamaan) en heeft hij het in ‘De Lusitaanse variant I’ (Va-banque,1977) over ‘stramme heren die beverig/ en blauw/ het verleden een zekere toekomst voorspellen.’ In ‘Een winterlied aan Midnight Pass (Hollandse sermoenen, 2005) maakt hij deze dodelijke opmerking over een zwaarlijvige Amerikaanse: ‘Geen verlichte gedachte heeft ooit de mesterij van haar lichaam verlaten.’

Ten Berge is altijd onafhankelijk, of beter autonoom geweest, maar met het klimmen der jaren lijkt hij daarbij ook vrijer te worden en daardoor beslist ook toegankelijker. ‘Wees vrij en onbezwaard,/ laat de geest maar onbekommerd waaien -‘ hield hij zichzelf in ‘Opgeruimd sermoen’ al voor, en getuige de jongste bundel Kerven, kastijdingen (2014) – (nog) niet zelfstandig uitgegeven, maar dus wel integraal in Cantus Firmus opgenomen – brengt hij dat meer dan ooit in praktijk. Het resultaat is een bundel die in elk van de vijf afdelingen opnieuw verrast.
‘Een zweem’ bevat tien gedichten die cirkelen rond de thema’s dood en vergankelijkheid. Mooie, heldere gedichten, waaronder (‘De wind loopt om, hij gaat’) een fraai In memoriam voor Kees Fens.
Het slotgedicht van de afdeling bevalt me zeer:

Religie, desnoods

Als je Schleiermacher wilt geloven
berust de religieuze ervaring
op de aanschouwing van de oneindigheid
van het universum

Zo blijk je toch een leven lang
door fernweh
op religieuze gronden te bestaan

Maar dan nog is er veel moed vereist
om Novalis’ aansporing
tot ‘poëtische onverschrokkenheid’
steeds maar weer
en tot je laatste ademtocht te volgen

Niettemin word je telkens onweerstaanbaar
een woestijn van bloeiende verlatenheid
en weggeschroeide levens in gedreven

om water uit een rots te slaan,
om de sterren onder een stolp van woorden
te behoeden voor de val

om goddeloos en stervend
door een schijn van eeuwigheid
een ogenblik te worden aangeraakt

‘Oostwaarts de liefde, westwaarts de strijd’ verbindt in wat je het best historische notities kunt noemen de dichters Slauerhoff en Segalen, De ‘Kleine waarnemingen’ zijn bijna Van Geelachtige gedichten over een veelheid aan levende have (die natuurkant van Ten Berge was niet eerder zo duidelijk aan bod gekomen) en ‘Dansmeester dood’ herneemt het beginthema met een in het Lübeck van 1463 gesitueerde dodendans vol oorlog, pest en kou. Deze kleine afdeling besluit met het driedelige ‘Hoe het is om nu te leven’. Dit is het eerste:

Hoe het is om nu te leven

1

Hoe het is om nu te leven
te midden van

te midden van

geschonden geesten en verwarde vrienden
die ontheemd in eigen huis,
beroofd van al wat
breekbaar en waarachtig is,
de zweepslag van een nieuwe knechtschap incasseren.

Hoe het is om nu te leven –
door verleugening en kromspraak
uit de taal verjaagd te worden

knecht te zijn van hen
die ons zouden bedienen —

Tot monddode wezens vermalen,
door naamloze machten beheerst,
wordt ons de adem afgesneden,
wordt het mes ons op de keel gezet.

Het is duidelijk: ‘oorlog’, ‘pest’ en ‘kou’ heersen als voorheen en Ten Berge kan zich uitleven in zijn rol van maatschappijcriticus. In het tweede deel staat:

De makke man is weer de onderdaan
die het dictaat van banken,
bureaucraten, het gewicht van anonieme
potentaten dagelijks ondergaat.

En het slot van het derde deel luidt:

Vergeet het, vriend:
Ni dieu, ni maître

nu en voor altijd…

De laatste woorden hadden een prima afronding van de bundel kunnen zijn, maar dan volgt er nog een verrassing in de vorm van een zevental balladen waarin hij zich heeft laten inspireren door sprookjes, o.a. van Grimm, door arctische mythen en Bretonse, Deense en Russische volksverhalen. Het zijn speelse, vrolijke verhalen, van alle zwaarte ontdaan, glinsterend van vertelplezier. Om – zie het slot van de ‘Ballade van de lintworm’ – Nijhoffiaans het glas op te heffen.

*
H.C. ten Berge (Alkmaar 1938) groeide op in het Noord-Hollandse Bergen. Hij studeerde Spaans en gaf bijna twintig jaar les aan de Akademie voor Beeldende Kunsten in Arnhem. Met zijn gedichtenbundels, verhalen, romans, essays en vertalingen ontwikkelde hij zich tot een van de belangrijkste schrijvers van ons taalgebied. Ten Berge werd meerdere keren bekroond: Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1964), Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1968), Prozaprijs van de gemeente Amsterdam (1971), Multatuliprijs (1987), Constantijn Huygensprijs (1996), A. Roland Holst-Penning (2003), P.C. Hooft-prijs (2006).
Daarnaast ontving hij in 1972 nog een bijzondere prijs van de Jan Campert-stichting voor zijn werk aan het door hem in 1967 opgerichte tijdschrift Raster.

____

H.C. ten Berge (2014). Cantus Firmus. Atlas Contact, 368 blz. € 28,25. ISBN 9789025442873

Geplaatst in Recensies.