Regen Kosmos Kamerplant

Anne Broeksma (Almelo, 1987) treedt regelmatig op met haar poëzie op festivals als Mooie Woorden en Lowlands. Ze schreef gedichten voor Radio 1 en publiceerde in o.m. de tijdschriften Het Liegend Konijn, Kluger Hans en Tirade. Daarnaast presenteert ze literaire programma’s voor Het Literatuurhuis in Utrecht. In 2011 sprak Meander met haar over Tuincentra, meerstijligheid en poetryslams. In augustus verschijnt haar debuutbundel bij uitgeverij Atlas Contact: Regen kosmos kamerplant. Tijd voor een vervolggesprek. 

Anne BroeksmaDe titel van je nieuwe bundel is regen kosmos kamerplant. Wat trekt je aan in ogenschijnlijk dagelijkse objecten als een kamerplant?
Ik heb de afwijking dat ik aan dingen snel een persoonlijkheid toeken. Een kamerplant is natuurlijk geen ding, het is plant en dat is juist het mooie. Een kamerplant leeft, maar hij leeft maar een beetje. Hij staat op de vensterbank, ‘kijkt’ naar buiten, naar de straat waar hij nooit op mag en de regen die hij nooit zal voelen en naar binnen: naar de mensen die hem als decoratie zien en hem – als hij geluk heeft – af en toe water geven. Een kamerplant is de schakel tussen binnen en buiten, tussen de plantaardige wereld zoals die was toen er nog geen dieren en mensen waren en de wereld van nu, met huizen volgestouwd met spullen in een poging een eigen plek te creëren. Die kamerplant moet daar maar ongevraagd onderdeel van uitmaken. Wist je trouwens dat de groenindustrie de term ‘kamerplant’ langzaam aan het vervangen is door ‘woonplant’? Alles moet beginnen met een werkwoord, dat klinkt actiever. Straks komt er nog een beleefplant of een sterfplant, verschrikkelijk.
 
In het interview met Meander uit 2011 deed je een beroep op ‘meerstijligheid’. Toch roemde Delphine Lecompte je gedichten om een eigen sterke stem en typeerde ze je gedichten als eenvoudig en gedurfd. Kun jij je vinden in deze typering?
Het is in ieder geval wel het type gedichten dat ik zelf graag lees. Ik houd van gedichten waarin de dichter zichzelf een beetje voor lul zet. Dat je het gevoel hebt dat er iets op het spel staat. Gedichten die zich lijken te verbergen achter teveel mooie woorden, teveel verschillende ideeën, daar heb ik minder mee. Het kan ook luiheid zijn; dat ik geen zin heb die codetaal te ontcijferen om erachter te komen wat de dichter eigenlijk wilde zeggen. Maar, alleen de eerste laag van het gedicht hoeft wat mij betreft direct helder te zijn, daarachter mogen best dingen zitten die om meer hoofdruimte vragen. Of ik zelf dit soort gedichten schrijf weet ik niet, maar ik streef het wel na.
 
Heb je het gevoel je eigen stijl de laatste jaren meer gevonden te hebben?
Ja, maar ik ben er vooral met terugwerkende kracht achter gekomen dat het met die meerstijligheid wel meeviel. Ik vond het leuk om verschillende soorten gedichten uit te proberen, zoals bijvoorbeeld een ready made met bestaande stukjes tekst uit een folder van een Drents veenmuseum. Maar uit de zinnen die ik koos bleek toch wel een fascinatie voor licht tragische taferelen, gecombineerd met een onstilbaar enthousiasme er iets van te maken. Ook al kies ik een andere stijl of zelfs de woorden van een ander, dezelfde thema’s blijven terugkeren. Mijn bundel bevat gedichten die geschreven zijn over een periode van ongeveer vijf jaar en toch passen ze goed bij elkaar, dus zo meerstijlig was ik nu ook weer niet.
 
Hoe zit het eigenlijk met die roman over het tuincentrum?
Die zit nog steeds in de beginfase. Ik ben wel van plan om in een andere wereld te infiltreren en daar over te schrijven, maar ik zeg liever niet welke want ik moet natuurlijk wel aangenomen of toegelaten worden. Mijn beeld van tuincentra is de afgelopen jaren trouwens erg veranderd. Ik wist wel dat ze mensen hun pretparkachtige tuinopvattingen weerspiegelen en geen romantische plantenwerelden zijn. Door mijn werk bij Greenpeace ben ik er echter achter gekomen dat er veel tuincentra zijn die planten verkopen met daarop in de EU zwaar verboden bestrijdingsmiddelen, waardoor bijvoorbeeld bijen sterven. Dus als ik nu nog een roman over een tuincentrum zou schrijven, zou het eerder een apocalyptische thriller worden.
 
Samen met dichter en verloofde Alexis de Roode woon je in het dorpje Maarssen. Wat doet het dorpsleven met je poëzie?
Ik houd vooral van de tegenstelling tussen stad en platteland. Ik ben veel in Utrecht en Amsterdam en dan is het heerlijk om ’s avonds uit te stappen tussen water en weilanden. De stad wordt ook interessanter als je er niet altijd bent, merk ik. De afwisseling tussen beide is perfect. Maar laat ik het niet romantiseren; in feite is Maarssen een aan Utrecht vastgegroeid dorp met een snelweg erlangs. Om van mijn claustrofobie af te komen ga ik naar Zweden.
 
De laatste jaren stond je vooral op het podium als presentatrice. Gaan we je de komende jaren weer vaker als dichter op het podium zien?
Dat zou ik wel leuk vinden. Ik draag graag mijn gedichten voor, maar het presenteren heeft de laatste tijd inderdaad de overhand gekregen. Ik vind het geweldig om een hele avond aan elkaar te praten met alle adrenaline en prettige ongeregeldheden die daarbij horen. Door het vaker te doen krijg ik ook de kans er steeds iets beter in te worden. Daardoor sta ik nu ook met mijn gedichten beter op het podium dan een paar jaar terug. 
 
Geplaatst in Interviews en getagd met .