LITERAIR E-MAGAZINE VOOR NEDERLANDSTALIGE POËZIE

Dingeman Kuilman – Wrakgenoten

21 aug, 2014

Laat de Hoop nu liever varen

door Hans Puper

Dingeman Kuilman heeft zijn gedichten van de afgelopen vijfentwintig jaar laten aanspoelen op de pagina’s van de bundel Wrakgenoten. De titel verwijst echter niet naar de gedichten, maar naar Vestdijk. In ‘Allegorische muziek’ beschreef deze op zijn eigen ironische wijze een schilderij dat is gemaakt door een navolger van Jeroen Bosch (deze informatie is van Kuilman):

Als wrakgenooten op een kust
Zitten er elf bij ’t groote boek,
Gemeenzaam slechts de tien geboden
En ’t bultig zakje voor hun broek:
Want uit dezelfde avondnooden
Zoekt elk zich and’re zinnenlust,
Er is geen krant, er is geen mode.

We zitten allen in hetzelfde schuitje. In de bundel komen veel schepen voor: in het gedicht ‘De Hoop’ maar liefst elf, waaronder ‘De Hoop’ zelf, het ruimteschip Apollo II en ‘ ’t scheepken onder Jezus hoede’ – ook geloof biedt geen redding. De eerste regel luidt ‘Laat de Hoop nu liever varen’. De laatste strofe:

Elke boot een bang vermoeden
dat de leegte zal beklijven,
ook al houden we ons groot.

(Terzijde: ik schrijf deze recensie op basis van de ongecorrigeerde drukproef. Ik neem aan dat in de bundel zelf na Jezus een apostrof zal volgen).
De ondertitel luidt ‘Verklaarde gedichten’. Die moeten we letterlijk nemen: in de afdeling ‘Aantekeningen’ wordt ieder gedicht van een context voorzien.  Soms zet die je op een spoor. De cyclus ‘Zelfportret als Lombardijns harnas’ begint als volgt:

We zaten levend bij elkaar
en zongen van de mosselman,
de man uit Scheveningen.
Het oude liedje: ik werd bang
en ging steeds luider zingen.
Reusachtig stond mijn moeder daar.
Ze droeg een grote zwarte pan,
zoals aan een veroveraar
– na strijd en onderhandelingen  –
men sleutels reikt, of zilverlingen.

Kuilman in zijn aantekeningen: ‘Wie een pan met mosselen opvoert, legt bedoeld of onbedoeld een relatie met het werk van de dichter en kunstenaar Marcel Broodthaers, zoals Casserole et moules fermées (1964).’ Als je de relatie vervolgens legt, blijkt het kunstwerk de interpretatie van het gedicht te sturen: zo staan mosselen voor seksualiteit.  Ze lijken bovendien sterk op elkaar, maar zijn van dichtbij individueel herkenbaar – net als mensen.  De geslotenheid refereert aan onleefbaarheid. De ik-figuur is ook zo’n gesloten mossel, een mosselman: ‘Geharnast loop ik over straat’. Hij wil dat graag zo houden: ‘Ik zal steeds een harnas huren.’ In het vierde en laatste gedicht van de cyclus staat hij op een brug over een gracht waardoor zeewater stroomt. In een visioen verschijnt zijn gevleugelde moeder, nu met een pan lege schelpen, in de zeventiende eeuw een beeld voor lichtzinnigheid, maar ook voor het onbeduidende  bestaan. De laatste vijf regels, waarin de helm mogelijk voor zo’n lege schelp staat:

Laat ons nu nog één keer, moeder,
zingen van de mosselman,
vol weemoed en herinneringen,
alvorens ik met helm en al
in het koude water val.

Een aantrekkelijk gedicht wordt door zo’n verklaring soms slechter en een slecht gedicht nooit beter. Een voorbeeld van het eerste: het gedicht ‘Inauguratie’. Je kunt het lezen als een herkenbaar beeld van de zoon die zich met schrik realiseert dat hij sterk op zijn vader lijkt. Dat is een inwijding, een inauguratie.

Inauguratie

Hij had de toga aangetrokken
die eertijds van zijn vader was.

Weerkaatsend in het spiegelglas
is hij spierwit weggetrokken.

Zijn vader had hem aangetrokken
alsof hij zelf die toga was.

Kuilman zegt over het gedicht: ‘Mijn vader en grootvader werden beiden hoogleraar, de een in de biologie en de ander in de psychiatrie.’ Vervolgens vertelt  hij dat er een grappige fout stond in de gedrukte versie van grootvaders inaugurele rede, waarom deze niet kon lachen.
Een herkenbaar, persoonlijk gedicht wordt door deze biografische informatie onpersoonlijk en nietszeggend. Ik heb geen zin om in het familiealbum te kijken van iemand die ik niet ken.
Een voorbeeld van het tweede: de vertaling van ‘God only knows’, een van de meest bekende songs van de Beach Boys. Kuilman legt uit dat copywriter Tony Asher de tekst schreef in opdracht van Brian Wilson, die de Beatles wilde overtreffen – het gevecht van zijn leven, volgens Kuilman. ‘God only knows’ vormt op het album ‘Pet sounds’ ‘de zon van Wilsons universum.’ De eerste regels ‘Mijn liefde kan niet eeuwig zijn, / maar zolang er sterren aan de hemel zijn’, zouden iets verklaren van het wonder van de song, omdat de sombere eerste regel wordt ontkracht door de tweede. Ik citeer nu de tweede strofe:

Wanneer je bij me weg zal gaan,
zal het leven gewoon verder gaan,
maar de wereld heeft dan afgedaan,
want wat heb ik er nog aan?

Het kan ook anders. Het openingsgedicht vind ik in zijn eenvoud heel mooi. Een als pijnlijk ervaren jaloezie op creativiteit leidt soms tot destructie:

ALS EEN VOGEL STERFT

Naar Ivan Zjdanov

Als een vogel sterft,
weent in hem de kogel,
want hij wilde zo graag
vliegen als een vogel

Wie Zjadanov is, wat hij doet en dat het gedicht ook vertaald is in het Engels, is aardig om te weten, maar staat het niet in de weg.

De verklaringen nemen ruim een derde van de bundel in beslag – qua pagina’s. De absolute hoeveelheid tekst van de verklaringen is echter veel groter dan die van de gedichten. Waarom heeft Kuilman daarvoor gekozen? De redenen geeft hij in zijn ‘Verantwoording’.  In navolging van de Russisch formalist Roman Jakobson gebruikt hij het begrip poëtische functie voor de boodschap van het gedicht, dat hij beschouwt als een specifiek communicatiemiddel. De ‘zender’, de dichter, legt de nadruk op de schoonheid, de kwaliteit van de uitdrukkingsvorm. De poëtische functie is voor het gedicht niet exclusief, maar wel het meest bepalend: ‘wat de dichter te zeggen heeft, ontleent uiteindelijk zijn belang aan de ‘volmaakte alchemie’ (J.C. Bloem) tussen vorm en inhoud.’ De context van het gedicht is belangrijk: als deze onduidelijk is, wordt de ‘ontvanger’ volgens Kuilman ‘gedwongen om het gedicht eerst als een vraagstuk te objectiveren alvorens tot de kern te komen.’ Hij vervolgt: ‘Ik vroeg me daarom af of ik de context zelf kon verhelderen, met behoud van de ervaringsruimte van de lezer. Bij wijze van antwoord maakte ik de aantekeningen, nu eens feitelijk en dan weer associatief, die deze gedichten ‘verklaren’ ‘.
Ik heb daar moeite mee. Een goed gedicht schept zijn eigen context, afzonderlijk, samen met andere gedichten in een bundel of in beide. Die hoeft niet dezelfde te zijn als de dichter voor ogen heeft: hij is na de voltooiing van zijn gedicht slechts een van de lezers. Een aangereikte context beperkt mijn ‘ervaringsruimte’. Een gedicht moet onafhankelijk kunnen bestaan, tenminste: als je hecht aan de ‘volmaakte alchemie’ tussen vorm en inhoud.  Als er een toelichting van de context nodig is, bestaat die eenheid niet.

***
Dingeman Kuilman (1961) werd opgeleid als grafisch vormgever. In 1991 debuteerde hij met de bundel Sabel en Keel.

     Andere berichten