Gedichten

Het zijn deze trends

om zich te ontdoen van
geloof in vergadering
van diepe aarde
om zich te ontdooien naar
het lot van de dobbelsteen
zal worden gecodeerd
staat u mij toe een laatste keer
te denken aan het nageslacht opdat dit niet significant verpietert
met startersnonchalance

Wij schrijven Apocalyps. Ze zeggen dat binnenkort de regering valt
of in ieder geval ontspant.
Nooit vertrouwd raken met iemand. Nooit een hand geven.
Honderdduizend metaforen voor het leven als toekomstige pausen
beijveren zich.
Het zijn deze trends: huiduitslag,
onverteerbare dagen.

139

Ik omgeef je van achter en van voren,
ik leg mijn hand op je.
Mijn hand is een eenzelvige korst op je.
Je voelt leem, de huid van
Leviathan. Vastberaden oeroude Leviathan.
Ik houd mijn oog op je.

Al week je voorbij mijn begrip (mijn begrip is een zee
je kunt geen kant op of er is begrip),
al kroop je terug bij je moeder,
dan nog zou mijn hand zich vergrijpen,
mijn rechterhand smoren als
mos zonder weet van zijn
stugheid.
Mijn linkerhand aanhalen, met trage halen tot
stilte manen.

Word ik wakker,
dan nog ben ik bij je.

De grote verscheidenheid

Van minuut tot minuut zou er niets van mij overblijven.
Een wandeling met aan weerskanten bedwelmende aspecten leerde mij dit.
Ik brak een angst aan die hierop had gewacht.
Het aanbreken van een angst na jaren van plompe,
aromatische stilte is niet niks, maar ook zeker geen spektakel.
De extremiteit ervan wordt binnensmonds ervaren.
Ik zou het je willen toefluisteren, maar moet mijn systemen in acht nemen.

De locaties waar wij kwamen waren motoren van een sadistisch raadsel.
Een raadsel dat door sadisten was bedacht,
maar ook een eigen sadisme bezat,
dat er niet door de makers was ingelegd.
Toen wij ons afgrijzen lieten blijken wees men ons op
de grote verscheidenheid.
Wij moesten toch toegeven dat de grote verscheidenheid
indrukwekkend was en ongeëvenaard.
Wij zagen ons genoodzaakt hierin te overnachten.
Na vier nachten besloten wij te vluchten. Na vier nachten reden wij,
met gedoofde koplampen, de bedwelmende aspecten in.
Het was stil, wij leken niet te worden opgemerkt. Voor ons was geen plaats
en geen omgeving om een plaats in te hebben.
De locaties stelden ons voor vragen.
Bevonden wij ons op de graden van de grote verscheidenheid
of waren wij buiten zicht?
Wij sliepen dag na dag in zonder dit te weten.

VRIJE ENCYCLOPEDIE

10.
Ik moet lezen
omdat Logos leest d.w.z. verzamelt; hij rust niet voordat hij alles
met alles heeft doen samenzijn in een contradictieloos geheel.
Midden in de nacht wikkel ik dit gedicht in een zware deken.
We zijn opgestaan voordat Logos zich naar zijn auto sleept.
Logos is wakker, maar probeert zijn vrouw nog op te geilen,
we hebben tijd.

Met dit gedicht in mijn achterbak rijd ik de hele dag.
Zo zullen we nog tientallen jaren leven.
Elke woning die we betrekken zal uiteindelijk moeten worden vernietigd.
Elk lichaam verbrand.
Zonder lijf ben je niemands eigendom,
zonder voordeur krijg je geen bezoek.

Uit: Maarten van der Graaff, Vluchtautogedichten, Atlas Contact 2013

Geplaatst in Gedichten en getagd met .