'Opspattend grind, ronkende motoren en mensen in de rook achterlaten'

Maarten van der Graaff (1987) studeerde religiewetenschappen aan de Universiteit Utrecht en is redacteur en medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon. Hij publiceerde poëzie en proza in De Revisor, Het Liegend Konijn, DW&B, De Brakke Grond en nY. In 2013 verscheen zijn poëziedebuut Vluchtautogedichten bij uitgeverij Atlas Contact en in 2014 werd zijn bundel onderscheiden met de C. Buddingh Prijs. Maarten van der Graaff is te zien en te beluisteren tijdens het Read My World Internationaal literatuur festival in Amsterdam op 12, 13 en 14 september.

Maarten van der GraaffKun je iets vertellen over de totstandkoming van je bundel?
Het oudste gedicht in de bundel is een paar jaar geleden geschreven. Ik denk in 2010. Verder heb ik vooral de ‘Vrije encyclopedie’, het lange gedicht dat de bundel besluit, in heel korte tijd geschreven. Voor het eerst heb ik toen ervaren wat het is om in een roes – die vreemd genoeg ook heel helder en afstandelijk is – iets te schrijven en niet precies te weten hoe dat ‘iets’ tot stand komt of wat het is. Ik had het gevoel niet te kunnen doen wat ik deed, dat het niet mocht of dat het totale rotzooi was. Dat gevoel zag ik toen als een goed teken.

Je hebt theologie gestudeerd aan de Universiteit Utrecht. Is je studie van invloed geweest op je thematiek, je manier van dichten?
Religieuze teksten en beelden interesseren me. ‘Christus op de koude steen’ vind ik bijvoorbeeld schitterend. Het is een laatmiddeleeuwse voorstelling van een wanhopende Christus op een rots in de hof van olijven. In de iconografie staat dit type beeld of afbeelding ook wel bekend als ‘de man van smarten’. Die hele devotie rond het lijden is interessant op een wetenschappelijke manier, maar daar gaat het me eigenlijk niet om. Het klinkt gewoon goed, dat ‘op de koude steen’. Het heeft iets van een kinderspel. Zo van ‘nu moet jij op de koude steen zitten, en nu jij enzovoort’. Ik ben op dit moment bezig aan een gedicht waarin ik zelf op de koude steen plaatsneem.

Het beeld ‘Christus op de koude steen’ toont Jezus Christus vlak voor zijn kruisiging en is een heel pregnant beeld. Kun je dat wel los zien van de betekenis die het heeft?
De resonantie kun je natuurlijk niet helemaal wegdoen, die inbedding in de traditie. ‘De koude steen’ klinkt zielig, het beeld heeft me altijd gefascineerd, ook tijdens mijn studie. Ik ben grootgebracht met de bijbel en studeerde religiewetenschappen, maar in mijn gedichten maak ik niet bewust gebruik van religieuze thema’s. Eerder is het zo dat ik mijn studie en achtergrond gebruik als reservoir waar ik uit kan putten. Je kunt het zien als een soort plunderen van de beeldtaal van het christendom. Zo gebruik ik bepaalde elementen en beelden op een losse manier. Of pas ik de structuur van religieuze teksten toe op mijn gedichten, bijvoorbeeld de structuur van psalmen, zoals in het gedicht ‘139’ uit mijn bundel. De herhaling in de psalmen fascineert me, de manier waarop vaak twee keer bijna hetzelfde wordt gezegd.

Je opent Vluchtgedichten met het motto ‘Ontsnappen is sexy’. Wordt hiermee verwezen naar een vorm van escapisme?
Niet elke ontsnapping lijkt me gelijk staan aan escapisme. Opspattend grind, ronkende motoren en mensen in de rook achterlaten vind ik wel sexy.

Een daad van ontsnapping roept iets op. De lezer vraagt zich misschien af waarom je zou willen ontsnappen: wat laat je achter, waar vlucht je heen…
Ik zie het meer als een theater van de ontsnapping. De beelden zijn belangrijker dan het waarom. In mijn bundel komen verdacht veel vluchtauto’s voor. Ik weet ook niet hoe je dat precies moet zien, maar aan het einde van de bundel komt een passage voor waarin een ik-figuur vlucht met een gedicht in zijn kofferbak. Hij vlucht weg voor de Logos, dat is een soort goddelijke essentie of – zoals in het Christendom – het Woord (Christus) dat voor de tijd al bij God was. Deze kracht wil alles samenbrengen en alle contradicties opheffen. Daarom komt Logos in mijn bundel voor als een kwade geest, voor wie je beter op de vlucht kunt slaan.

Wat is voor jou poëzie?
Iets heel moois. En iets heel engs. Het heeft veel met luisteren te maken. De dichter is geen stralend genie, verheven boven alles en iedereen, maar juist leeg. Het gedicht is oningevuld en omringd door allerlei taal die druk uitoefent. Als je een gedicht schrijft maak je een ruimte waarin dat allemaal voelbaar is. In die ruimte wordt er zowel met het verleden als met de toekomst gepraat. Ik hoop dat ik niet onduidelijk ben.

Het gedicht als individuele ruimte en begrenzing… Hoe groot is voor jou de druk die taal om ons heen op ons uitoefent?
Ik zou liever zeggen ‘het gedicht als sociale ruimte’. De druk die taal om ons heen op ons uitoefent kan van alles zijn, een wetsvoorstel van de regering bijvoorbeeld (de taal van de macht), een instructie voor het gebruik van een magnetron of de gedichten van H.H. ter Balkt. Het gaat mij uiteindelijk om het effect van taal, niet om de esthetische waarde.

In je bundel kom ik de intrigerende versregel tegen ‘Ik ben jaloers op de twintigste eeuw’. Wat bedoel je hier precies mee?
Alles wat ik nu kan zeggen gaat die uitspraak rationaliseren, contextualiseren, maar ik denk dat er gewoon staat wat er staat: ik ben jaloers op de twintigste eeuw. Stel je voor dat je leeft en werkt in de eenentwintigste eeuw, dat is toch erg!

Op de site van het tijdschrift Tzum vertel je in een korte video over Vluchtgedichten. Je stelt onder andere dat veel gedichten geschreven zijn uit onvrede met de huidige poëzie: je was klaar met poëzie. Kun je dit nader toelichten?
Ik doelde niet op een specifieke soort poëzie waar ik klaar mee was. Ik was boos en voelde mij beperkt door het idee ‘een gedicht te schrijven’. Ik was het zat om aan poëzie te denken als een privéproject. Ik vond dat gewoon een beetje suf. Sterker nog: ik geloofde er niet in. In een artikel dat ik laatst geschreven heb voor het Vlaamse tijdschrift nY, citeer ik andere dichters die iets zeggen over een democratischer soort poëzie, een poëzie die communiceert en niet in zichzelf opgesloten is. Deze poëzie is geen privé-project, maar ingebed in iets dat de grenzen van het individuele overstijgt, dat wil zeggen dat je iets kunt delen, iets gemeenschappelijks.

Hoe ontstaat bij jou het idee voor een gedicht?
Ik heb niet zoveel ideeën. Ik heb er gewoon zin in en dan ga ik het doen. En ik krijg vaak zin in schrijven als ik iets van een ander lees dat heel goed is. Zeker als ik het net ontdekt heb.

Kun je hier een voorbeeld van geven?
Het lezen van de gedichten van de Amerikaanse dichter Jack Spicer is daar een goed voorbeeld van. Ik las zijn bundel Ten poems for downbeat en ben die gedichten vervolgens gaan vertalen. Dat wil zeggen: ik vertaalde ze half en begon zelf nieuwe dingen toe te voegen. Ze dienden als motor om zelf te gaan dichten. Zijn poëzie is direct en affectief, het sluit aan bij wat ik zelf wil schrijven.

Welke dichters bewonder je?
Ik bewonder veel mensen. Dorothea Lasky bewonder ik. John Ashbery, Nazim Hikmet, Mina Pam Dick, H.H. Ter Balkt, Frank O’ Hara, Ton van ’t Hof. Zulke rijtjes hebben iets komisch en het zou er ook heel anders uit kunnen zien.

Je bent redacteur en mede-oprichter van het online tijdschrift Samplekanon, http://www.samplekanon.nl. Vertel eens.
Samplekanon is een initiatief van Frank Keizer, die zelf ook dichter is, tekenaar Daniël Labruyère en mijzelf. We zijn het tijdschrift niet begonnen vanuit een bepaalde missie, maar wilden gewoon interessante teksten publiceren. Inmiddels zijn we verder en zien we het tijdschrift steeds meer als een manier om verbindingen tot stand te brengen tussen Nederlandse poëzie en internationale poëzie. We werken inmiddels samen met Babelsprech, een Duitse literatuursite van een aantal jonge dichters uit Berlijn, die nauw samenwerken met de Amerikaanse website Full Stop en Hilda Magazine, onder redactie van de Braziliaanse dichter Ricardo Domeneck. Over en weer worden bijdragen gepubliceerd. Frank en ik schrijven bijvoorbeeld een stuk over hedendaagse Nederlandse poëzie, maar trekken ook lijnen naar het verleden. We besteden onder andere aandacht aan Lieke Marsman, Ellen Deckwitz, Martijn den Ouden en Dennis Gaens, maar ook aan opkomende dichters zoals Hannah van Binsbergen en Arno van Vlierberghe. We hopen dichters uit diverse contexten met elkaar in contact te brengen.

Wat zijn je verdere plannen, ben je bezig aan een nieuwe dichtbundel?
Ja, ik ben volop bezig met het schrijven van nieuwe gedichten en dat gaat een tweede bundel worden. Ik vind het fijn om hard door te kunnen werken.

Jeroen Dera interviewde Maarten van der Graaff voor Meander.

Geplaatst in Interviews en getagd met .