Gedichten

HOTEL EDEN

Was het voor God geen al te menselijke blamage
om in zijn hof een boom te planten en een wezen,
zich bewust van goed noch kwaad, de wacht
aan te zeggen, wetende dat het ervan eten zou,

door de eerste schuld te geven aan diens vrouw?
Geen wonder dat de kogels fluiten dag en nacht,
dat we dol van woorden blijven dolen, kezen,
pezen, moorden in heel de zelf aangerichte ravage

waaruit we terug willen op die Plantage, als slaven
harken of als varkens wroeten desnoods, om stil
ons verworven inzicht te laven aan dat bitterzoete

en in de avondkoelte God opnieuw te ontmoeten.
Of worden we dan weer ledenpoppen zonder wil?
Liever een kamer met uitzicht, op graven desnoods.

DE GEHEIMZINNIGE STER

Op een nacht – het weer is goed, de zee is kalm
– verschijnt volkomen onverwacht een ster die
zo snel nadert dat ze algauw een meteoor blijkt
die, zoals koortsachtig is berekend, de aardbol
weldra finaal verwoesten zal. Het asfalt smelt,
de ratten verlaten de riolen al. ’s Ochtends volgt
de knal: wat pannen van daken, wat scheuren
in muren, gesprongen leidingen en glas, gevaar
geweken, het gevaarte vervolgt zijn baan. Slechts
een brok ervan viel noordelijk in de oceaan. Voor
Kuifje reden om met Bobbie op avontuur te gaan.

Voordat het geheel onder water zal verdwijnen
zet hij voet op het stukje buitenaardse grond.
Terstond groeit een paddenstoel er tot enorm geval.
Uit de pitten van de appel waarvan hij niet verder
at omdat er een rups in zat, groeien ’s morgens al
planten en ’s middags staan er reuzenbomen waar
een vlinder tussen vliegt met een vleugelspanwijdte
die er niet om liegt. Bobbie gaat op de loop voor
een kanjer van een spin. Gelukkig wordt die geplet
door een appel van een kilo of tien. Maar ook Kuifje
krijgt er een op zijn kners! Zoals het helden vergaat

worden ze op het nippertje gered. Zelfs de kapitein
is blij: ‘Eindelijk weer land in zicht, duizend bommen
en granaten!’ ‘Is de olie op?’ ‘Erger nog! De whisky!’
En zo zitten wij in een Brussels café, hij een Scotch,
voor Bobbie een bot, de reporter met thee, en ik met
een Stella en vragen: wat als wij honderd keer groter
en sneller leefden of veertig maal kleiner en trager?
Leven de planten onze tijd? En de leeuwen? Bestaan
er planeten met nanoseconden tussen eten en schijt?
Hond noch heren kan het interesseren. Hun wacht
alweer een nieuw geheim: dat der vervlogen eeuwen.

ALS GEEN LICHT MEER DOOR LINNEN DRINGT

‘Weet je hoe je kunt zien wanneer iets goed geschilderd is?’
vroeg mijn oom in zijn hobbykamer, waar hij zijn Meer bij
zonsondergang met de voorkant tegen de middagzon hield.
‘Als er geen licht meer door het linnen dringt.’ Ik draaide

de ansicht om die als voorbeeld had gediend: Camping
Seeperle, Bodensee, en wist opeens dat ik liefst elk gedicht
met sinterklaasrijm wilde schrijven, inhoudelijk haast zonder
gewicht, in de hoop – ‘We kwamen er vaak, je tante en ik’

– dat er vanzelf iets in sloop en daar bleef waar geen vinger
achter te krijgen is, zoals ofschoon je engel je niet mis
te verstaan zijn Eden uit gewezen heeft, de herinnering

aan zijn meisjesgelaat, dat een en al buiten was zo zonder
noodzaak van een binnen, dat je aldoor hoopt het weer
te zien wanneer ooit geen zicht meer door linnen dringt.

Uit: Huub Beurskens, Hotel Eden, Nieuw Amsterdam, 2013

Geplaatst in Gedichten en getagd met .